Athanasius, Over de menswording van het Woord
1 Literatuur
2 Inleiding.Athanasius' (295-373) werk, De menswording van het Woord, is het belangrijkste werk over Christologie in de oudheid en enorm belangrijk voor de wetenschappelijke theologie. Hij maakt een verbinding tussen goddelijke en menselijke rede in het begrip Logos. C.S. Lewis, God in the Dock, Grand Rapids, William B. Eerdmans Publishing Company, 1970 (reprint 2001), 206: "When I first opened his De incarnatione I soon discovered by a very simple test that I was reading a masterpiece. I knew very little Christian Greek except that of the New Testament and I Had expected difficulties. To my astonishment I found it almost as easy as Xenophon; And only a master mind could in the fourth century, have written so deeply on such a subject with such classical simplicity. Every page I read confirmed this impression. His approach to the Miracles is badly needed today, for it is the final answer to those who object to them as 'arbitrary and meaningless violations of the laws of Nature". They are here shown to be rather the re-telling in capital letters of the same message which Nature writes in her crabbed cursive hand; the very operations one would expect of Him who was so full of life that when he wished to die He had to 'borrow death from other'. The whole book, indeed, is a picture of the Tree of Life - a sappy and golden book, full of buoyancy and confidence. We cannot, I admit, appropriae all its confidence today. We cannot poin to the high virtue of Christian living and the gay, alomost mocking courage of Christian martyrdom, as a proof of our doctrines with quite that assurance which Athanasius takes as a matter of course. But whoever may be to blame for that it is not Athanasius."[1] 3 De menswording van het Woord (tekst)3.1 De plaats van de menswording in de heilseconomie.5,1 Want God heeft ons niet alleen uit het niets gemaakt, maar Hij heeft ons door de genade van het Woord ook goddelijk leven geschonken. De mensen echter hebben zich afgekeerd van het eeuwige en zich op aanraden van de duivel naar de vergankelijke dingen gewend. Zo is het hun eigen schuld dat ze vergankelijk zijn geworden in de dood. Want zij waren van nature sterfelijk, maar door de genade van de deelname aan het Woord zouden ze aan deze eigenschap van hun natuur ontsnapt zijn, als ze goed gebleven waren. 3.2 De noodzaak en gepastheid van de verlossing van de mens.6,1 Zo groeide de macht van de dood en duurde de vergankelijkheid onder de mensen voort. Het mensengeslacht ging ten gronde. De redelijke mens, geschapen naar het Beeld verdween en het werk door God begonnen vernietigde zichzelf. 3.3 De reden van de menswording.3.3.1 De redenen van de verschijning van het Woord.8,1 Dat is de reden waarom het onlichamelijk, onvergankelijke en immaterieel Woord van God naar ons gekomen is, ook al was Hij van te voren niet ver van ons. Immers geen enkel deel van de Schepping is van Hem verstoken gebleven, maar Hij heeft alles overal vervuld, Hij die bij de Vader verblijft. Maar Hij komt tegenwoordig door zich te vernederen om ons te redden door Zijn menslievendheid en door zijn verschijning. 3.4 Een lichaam als het onze.8,4 En zo nam Hij een lichaam aan gelijk is aan het onze, dat zoals alle andere lichamen onderworpen is aan het verderf van de dood. Hij gaf het voor ons allen over aan de dood, want Hij bracht het als een offer aan de Vader. Hij deed dat uit liefde voor de mensen, met een dubbel doel. Opdat enerzijds als alle mensen in Hem sterven, (Rom. 6,8 ) de wet dat alle mensen sterfelijk zijn, haar geldigheid verliest. (Immers nadat die wet zijn hele kracht gericht heeft tegen het lichaam van de Heer, heeft zij voortaan geen macht meer over de mensen die aan Hem gelijk zijn.) Anderzijds opdat Hij de mensen die zich gewend hebben tot de vergankelijkheid naar de onvergankelijkheid kan voeren en hen uit de dood tot leven zou brengen. Want, door het lichaam dat Hij tot het zijne maakt en door de genade van de verrijzenis vernietigde Hij in hen de dood zoals een strohalm in het vuur verdwijnt. 3.5 Het vlekkeloze offer.9,1 Want het Woord begreep dat de vergankelijkheid van de mens op geen andere manier kon worden weggenomen, dan wanneer Hij geheel in de dood ging. Hij was het Woord dat niet sterven kon en de Zoon van de Vader. Om te kunnen sterven nam Hij een sterfelijk lichaam aan. Dit lichaam heeft het vermogen, omdat het deelheeft aan het Woord, dat boven alles verheven is, om te sterven voor allen, maar dank zij de inwoning van het Woord is het zelf onvergankelijk. Zo zouden voortaan door de genade van de verrijzenis voor allen een einde komen aan de vergankelijkheid. Hij bood het lichaam, dat Hij had aangenomen, als een slachtoffer en vlekkeloze offergave aan aan de dood. Zo vernietigde hij de dood van alle lichamen die gelijk zijn aan het zijne. 3.6 Allen zijn onvergankelijk door het offer van Christus.9,2 Want hoewel Hij als Gods Woord boven alles verheven is, offerde Hij zijn eigen tempel, het instrument van zijn lichaam, als zoenoffer voor allen, Hij betaalde met zijn dood ten volle onze schuld. Zo kan de onverganketijke Zoon van God, die met alle mensen verenigd is door een lichaam dat gelijk is aan het hunne, allen met de onvergankelijkheid bekleden en hun de verrijzenis beloven. De vergankelijkheid van de dood zelf, heeft voortaan geen macht meer over de mensen, omdat het Woord onder hen is komen wonen in een lichaam zoals het hunne. 3.7 De grote koning.9,3 Wanneer een grote koning in een grote stad komt en zijn intrek neemt in een van de huizen, dan ziet die stad dat als een eer. Geen vijand of rover trekt meer tegen haar op om haar te verwoesten. Integendeel, iedereen acht die stad, omdat de koning in een van haar huizen woont. Zo is het ook met de Koning van het heelal. 3.8 De gepastheid van de menswording.10,1 Dit machtige werk paste helemaal bij Gods goedheid. Want wanneer een koning een huis of een stad gebouwd heeft, en rovers doen een aanval, omdat de bewoners geen zorg voor die stad gedragen hebben, dan laat hij dat huis of die stad niet in de steek. Hij verdedigt ze als zijn eigen werk en redt de inwoners uit het gevaar zonder te denken aan hun nalatigheid. Want hij denkt alleen aan wat bij zijn waardigheid past. Met des te meer reden liet God, het Woord van de algoede Vader, het menselijk geslacht, zijn werk toen het tot verderf gekomen was, niet in de steek. Hij wiste door het offer van zijn eigen lichaam de dood uit die hun deel was geworden. Hij genas hen van hun nalatigheid door zijn onderricht en keerde door zijn macht de toestand van de mensen weer geheel ten goede. 3.9 De verrijzenis van de mens.10,5 Want door het offer van zijn eigen lichaam heeft Hij een einde gemaakt aan de wet die op ons drukte en een nieuw begin van leven geschonken door ons de hoop van de verrijzenis te schenken. Want, als door de mensen de dood heerste over de mensen is het wederom door de Menswording van het Woord dat de dood vernietigd werd en aan de mens de verrijzenis geschonken werd zoals de 'Christusdrager' zegt: "Want omdat door een mens de dood is gekomen, komt ook door een mens de opstanding der doden. Zoals allen in Adam sterven, zo zullen ook allen in Christus herleven, enz.". (1 Kor. 15,2 1-22) Want nu sterven wij niet meer als mensen die veroordeeld zullen worden, maar als mensen die opgewekt zullen worden uit de dood. Wij verwachten de gemeenschappelijke opstanding van allen, die God heeft bewerkt en geschonken, en die Hij ons "te rechter tijd zal doen aanschouwen". (1 Tim. 6,1 5) 3.10 De zwakheid van het schepsel.11,1 Toen God de Albeheerser, het menselijk geslacht schiep door zijn Woord, zag Hij de zwakheid van de menselijke natuur, die niet in staat is om uit zichzelf de Schepper te kennen of zich ook maar de geringste voorstelling van Hem te maken. Hij is immers niet geschapen, zij zijn uit het niets geschapen. Hij is onlichamelijk, maar de mensen op aarde zijn gevormd met een lichaam. Om het kort te zeggen: er is een groot onvermogen bij de schepsels om de Schepper te begrijpen en te kennen. Toen erbarmde God, omdat Hij goed is, zich opnieuw over het menselijk geslacht, en Hij liet hen niet zonder mogelijkheid om Hem te kennen, anders zouden hun bestaan zinloos zijn. 3.11 Jezus Christus is het beeld van God.11,3 Opdat dit niet gebeuren zou, heeft Hij hen, in zijn goedheid, zijn eigen Beeld, onze Heer Jezus Christus, meegedeeld. Hij heeft hen geschapen naar zijn eigen beeld en gelijkenis, opdat zij door deze genade het Beeld zouden erkennen: het Woord van de Vader, en door Hem zouden zij zich een voorstelling van de Vader kunnen maken. En wanneer zij de Schepper kenden, zouden zij gelukkig en zalig kunnen leven. 3.12 De mensen maken afgoden.11,4 Maar in hun waanzin veronachtzaamden zij de genadegave die hun werd geschonken. Zij keerden zich zo ver van God af en bevlekten zozeer hun ziel, dat zij niet alleen de voorstelling van God vergaten, maar dat zij ook alle mogelijke andere goden in zijn plaats fabriceerden. Want zij maakten afgoden die de plaats van de Waarheid moesten innemen. Zij gaven de voorkeur aan het niets boven de God die is, zij aanbaden liever de schepping dan de Schepper. Maar wat nog erger is, zij gaven de aanbidding die God toekomt, aan afgoden, gemaakt uit hout, steen of van ander materiaal, zelfs aan mensen. Zoals reeds eerder werd gezegd: zij bedreven nog meer van dergelijke daden. 3.13 Gods werken.12,1 Want de genade van het naar Gods beeld geschapen zijn was in zichzelf voldoende om God, het Woord, te leren kennen en door Hem de Vader. Maar God die de zwakheid van de mensen kent, zorgde voor hen door hun de mogelijkheid te geven, om als zij in hun achteloosheid Hem niet meer uit zichzelf zouden kennen, Hem te kennen uit zijn werken. 3.14 Gods Voorzienigheid.12,2 Maar toen hun achteloosheid ten top steeg, zorgde God weer voor hen in hun zwakheid door de Wet en de profeten te zenden, die zij gemakkelijk konden leren kennen. Zelfs als zij er niet toe kwamen hun ogen naar de hemel te richten en hun Schepper te erkennen, zouden zij toch de leraren vlak bij zich hebben. Want het is gemakkelijker voor de mensen om van hun medemensen de kennis van de hogere dingen te ontvangen. 3.15 De mensen konden door de schepping God leren kennen.12,3 Zo konden zij dus door hun ogen op te slaan naar de verhevenheid van de hemel en door de harmonie van de schepping te beschouwen het Hoofd van alles, het Woord van de Vader, leren kennen. Hij is het die door zijn algehele Voorzienigheid aan allen de Vader openbaart en het heelal beweegt, opdat door Hem allen God zouden leren kennen. 3.16 De wet leert de mens God te dienen.12,5 Omdat zij de Wet kenden, waren zij in staat een einde te maken aan alle wetsovertredingen en een deugdzaam leven te leiden. De Wet was immers niet alleen voor de Joden bestemd en de profeten waren niet alleen gezonden tot de Joden die hen vervolgden, maar zij waren voor de gehele wereld een heilige leerschool in de kennis van God en het geestelijke leven. 3.17 De onwil van de mensen.12,6 Hoewel dus Gods goedheid en zijn mensenliefde zo groot waren, hebben de mensen, overmeesterd door de onmiddellijk in hun bereik liggende genietingen, het zinsbedrog en de bedriegerijen van de demonen, zich niet gekeerd naar de Waarheid. Zij hebben zich laten verleiden tot steeds groter kwaad en steeds talrijker zonden. Zo leken zij geen redelijke wezens meer te zijn, maar volgens hun gedrag meer redeloze wezens. 3.18 Door Jezus kan de mens God weer leren kennen.13,7 Wat moest God dus doen? Was er iets anders mogelijk dan hun naar Gods beeld geschapen zijn weer te vernieuwen, opdat de mensen Hem opnieuw zouden kunnen leren kennen? Maar hoe kon dit anders geschieden dan door de verschijning van God Zelf, onze Redder Jezus Christus? Door middel van mensen was dit niet mogelijk, want zij zijn ook (allen) geschapen naar het Beeld, ook niet door middel van engelen, want zelfs zij zijn niet het beeld. 3.19 De zelfvernedering van het Woord.16,1 Want toen eenmaal de geest van de mens gevallen was in het stoffelijke, vernederde het Woord Zich door Zich zichtbaar te maken in een lichaam om zo, als mens, de mensen tot Zich te trekken en hun zinnen naar Hem te richten. Voortaan zouden ze Hem zien als mens. Door zijn werken zou Hij hen overtuigen dat Hij niet slechts een mens was als andere mensen, maar God, Woord van de ware God en Wijsheid. Integendeel, Hij heeft Zich juist zichtbaar gemaakt door in dit lichaam blijvend zijn intrek te nemen, werken te verrichten en tekenen te tonen. Daardoor leerde men Hem niet meer (alleen) kennen als mens, maar (ook) als Gods Woord. 3.20 De vereniging van de Logos met het menselijk lichaam.17,1 Want Hij was niet opgesloten in het lichaam, Hij was niet in het lichaam zonder tegelijkertijd elders te zijn. Hij bestuurde niet zijn lichaam, terwijl Hij aan het heelal zijn kracht en voorzienigheid ontnam. Maar het meest verwonderlijke van alles is: als Woord werd Hij niet omvat door enig wezen, maar Hij omvatte alles. En hoewel Hij aanwezig is in de hele schepping, blijft Hij buiten alles door zijn wezen. Maar Hij is in alles door zijn krachten. Hij ordent alles en oefent zijn voorzienige zorg over alles uit, Hij brengt alles wat bestaat afzonderlijk én tegelijkertijd tot nieuw leven. Hij omvat het heelal, maar wordt Zelf niet omvat door het heelal. Hij woont geheel en al en in elk opzicht in zijn Vader. 3.21 De onmacht van de mens.17,3 De ziel moet in haar overwegingen beschouwen wat buiten haar eigen lichaam is, maar niet om te handelen buiten het lichaam of om door haar aanwezigheid in beweging te brengen wat zich op een grote afstand bevindt. Nooit kan een mens datgene wat hij van ver aanschouwt bewegen of verplaatsen. Als iemand voor zijn huis zit en nadenkt over hetgeen hij aan de hemel ziet, kan hij niet de zon van plaats laten veranderen noch het hemelgewelf laten draaien. Ongetwijfeld ziet hij dat zij bewegen en hij merkt hun bestaan op, maar hij is niet in staat een van beide voort te brengen. 3.22 Christus, God en mens.17,4 Maar de inwoning van het Woord Gods in een lichaam was anders. Hij was niet gebonden door het lichaam, maar beheerste het integendeel, en wel zo dat Hij tegelijkertijd in zijn lichaam was én in alles wat is. Maar ook was Hij buiten alles wat is en Hij rustte alleen in de Vader. 3.23 De eenheid van het Woord met Zijn menselijk lichaam.18,1 Wanneer dus de theologen zeggen dat Hij at en dronk en geboren werd, weet dan dat het lichaam als lichaam werd gebaard en gevoed met passend voedsel, maar dat Hij, het Goddelijk Woord dat de hele kosmos bestuurt, verenigd met het lichaam, zich ook dat door de werken die Hij in het lichaam tot stand bracht, Zich openbaarde niet als mens maar als het Woord van God. Toch gaat het over Hem, want het lichaam dat at, werd gebaard en leed was niet het lichaam van iemand anders, maar dat van de Heer. En omdat Hij mens werd, paste het over Hem zo te spreken als men over een mens spreekt om aan te tonen dat Hij in werkelijkheid en niet in schijn een lichaam had. Want hoewel Hij onzichtbaar is, wordt Hij gekend vanuit zijn scheppingswerken; zo zou men ook, toen Hij mens was geworden en aan het gezicht onttrokken was in het lichaam, weten dat niet een mens maar de Kracht en het Woord van God deze verrichtte. 3.24 Christus is God.18,4 Immers bevelen geven aan de demonen en hen verjagen is geen mensenwerk, maar Gods werk. En hoe kan men, wanneer men aanschouwt dat Hij de ziekten waaraan de mensheid lijdt, geneest, Hem nog voor een mens houden en niet zien dat Hij God is? Want Hij reinigde melaatsen, liet lammen lopen, opende de oren van doven, liet blinden zien. Kortom Hij verdreef alle ziekten en zwakheid bij de mensen, zodat de eerste de beste kon bemerken dat Hij God was. Want als iemand Hem ziet geven wat van de geboorte af ontbrak en hem de ogen van de blindgeborene ziet openen, zou hij dan niet begrijpen dat de geboorte van de mens aan Hem onderworpen is en dat Hij de Maker en Bewerker ervan is? Want Hij die aan een mens schenkt wat Hij tekortkwam vanaf de geboorte, is toch duidelijk ook de Heer van de schepping van de mensen. 3.25 De hele schepping belijdt dat Christus Gods Zoon is.19,1 Het leek erg passend voor de Heiland om dit alles te doen, opdat de mensen die tot nu toe zijn voorzienigheid in alles miskend hadden en zijn Goddelijkheid niet uit de schepping hadden leren kennen. Opdat nu hun ogen zouden opengaan voor de werken van zijn lichaam en zich een denkbeeld zouden (kunnen) vormen van de kennis van de Vader, door, zoals ik reeds gezegd heb, te redeneren vanuit zijn werken om in staat te zijn een oordeel te vellen over zijn voorzienige zorg voor alles. 3.26 De dood van Christus, het voornaamste geloofspunt.19,4 Zo openbaarde God, het Woord, Zichzelf aan de mensen door zijn werken. Het is passend om het einde van zijn leven en werken in het lichaam te verhalen. Ook zal ik uitleggen van welke aard de dood van zijn lichaam was. Dat doe ik vooral omdat dit ons voornaamste geloofspunt is en de mensen er eenvoudigweg niet mee ophouden hierover te praten. Zo zult u bemerken dat juist hierin Christus zich niet minder als God en Zoon van God openbaart. 3.27 Samenvatting.20,1 De oorzaak en aard van zijn lichamelijke verschijning hebben wij uiteengezet in de mate dat Wij zelf het konden begrijpen. Wij zeiden dus dat niemand anders de macht had het vergankelijke weer tot de staat van onvergankelijkheid terug te brengen dan de Heiland Zelf, die ook in den beginne alles vanuit het niet heeft geschapen. Ook kwam het aan niemand anders toe het geschapen-zijn naar het Beeld van God bij de mens te herscheppen mensen dan aan het Beeld van de Vader. Ook het sterfelijke tot onsterfelijkheid brengen kwam aan niemand anders toe dan aan het Leven Zelf, onze Heer Jezus Christus. Tenslotte kon ook niemand anders ons onderrichten over de Vader en de afgodendienst vernietigen dan het Woord, dat alles regeert en dat alleen de eniggeboren en waarachtige Zoon van de Vader is. 3.28 Christus moest onze schuld betalen.20,2 Maar bovendien moest Hij de schuld van allen betalen. Want -zoals ik reeds eerder gezegd heb- allen moesten sterven. Dit was de voornaamste reden van zijn komst op deze aarde. Daarom, nadat Hij door zijn werken zijn God-zijn had aangetoond, gaf Hij tenslotte voor allen Zich ten offer en leverde voor allen zijn tempel (de tempel van zijn lichaam) uit aan de dood om allen te bevrijden en te verlossen van de eerste overtreding, en door zijn eigen lichaam, als Eersteling van de algemene verrijzenis, onbederfelijk te tonen. 3.29 Eén stierf voor allen.20,5 Dit tweevoudige mysterie voltrok zich wonderlijk genoeg in één en het zelfde lichaam: de dood van allen voltrok zich in het lichaam van de Heer, én dood en verderf werden vernietigd door het Woord dat Zich met het lichaam verenigde. Want de dood was noodzakelijk, hij moest tot allen komen, opdat wat door allen verschuldigd was, zou betaald worden. 3.30 Het einde van de straf, de dood, heerst niet meer.21,1 Zeker zullen zij die in Christus geloven, nu Hij, de Redder van allen, voor ons de dood heeft ondergaan, niet meer zoals vroeger de dood sterven, overeenkomstig de dreiging van de Wet. Want aan deze veroordeling is een einde gekomen. De vergankelijkheid bestaat niet meer en is weggevaagd door de genade van de verrijzenis, voortaan zullen wij slechts ontbonden worden overeenkomstig de sterfelijke conditie van ons lichaam op de tijd die God voor ieder heeft bepaald, opdat wij aan een betere verrijzenis deel zouden kunnen hebben. 3.31 Dood, waar is uw angel? De lichamelijke dood is overwonnen.21,2 Zoals zaad dat in de aarde wordt gestrooid, zullen wij niet vernietigd worden, maar wij worden gezaaid om te verrijzen. Want de dood is teniet gedaan krachtens de genade van de Redder. Daarom zegt de gelukzalige Paulus die voor allen de waarborg is geworden van de verrijzenis: "Want dit vergankelijke moet met onvergankelijkheid worden bekleed en dit sterfelijke met onsterfelijkheid. En wanneer dit vergankelijke met onvergankelijkheid is bekleed, dan zal het woord van de Schrift in vervulling gaan: de dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is uw angel?". 3.32 Waarom stierf Jezus niet zoals andere mensen?22,5 Indien Hij ergens alleen op een bed volgens de gewoonte van de mensen zijn lichaam had afgelegd, zou men gedacht hebben dat Hij de dood onderging omwille van de zwakheid van zijn natuur en dat Hij niets méér had dan andere mensen. Maar omdat Hij het Leven en het Woord van God was en moest sterven voor allen, gaf Hij, als het Leven en de Macht, sterkte aan het lichaam. 3.33 De Heer kon niet ziek of zwak zijn.21,6 Maar, aan de andere kant omdat de dood onvermijdelijk was, maakte Hij Zich van deze gelegenheid meester, niet uit Zichzelf, maar door middel van anderen om zijn offer te volbrengen. Het paste niet dat de Heer ziek werd, als Hij de ziekten van anderen genas. Ook kon zijn lichaam niet verzwakken, want Hij maakte de zwakken sterk. 3.34 Ernst maken met het zoeken naar de waarheid.54,1 Zoals iemand die God wil zien, hoewel Hij naar zijn natuur onzichtbaar is en in het geheel niet gezien kan worden, Hem vat en kent vanuit zijn werken, zo moet ook hij die met zijn geest Christus niet kan zien, trachten Hem te leren kennen vanuit de werken van zijn lichaam. Hij moet ook onderzoeken of het werken van God of van een mens zijn. 3.35 De vergoddelijking van de mens.54,3 Want Hij is mens geworden, opdat wij zouden worden vergoddelijkt (tot God gemaakt zouden worden)! Hij heeft zich geopenbaard door middel van een lichaam, opdat wij kennis zouden krijgen van de onzichtbare Vader. Hij heeft de schande die de mensen Hem aandeden verdragen, opdat wij de onsterfelijkheid zouden krijgen. Het is waar, Hij leed hierdoor geen enkel nadeel, omdat Hij niet kan lijden en niet aan het verderf onderhevig is en het Woord van God Zelf is. Maar hoewel Hij Zelf niet kon lijden, heeft Hij de lijdende mensheid, om wie Hij dit alles doorstond, bewaard en gered. 3.36 De mens kan de liefde niet peilen.54,4 In één woord, de werken van de Redder die geschiedden door zijn Menswording zijn van die aard en zijn zo groot dat iemand die ze zou willen verhalen, zou lijken op iemand die de vlakte van de zee overziet en dan de golven wil tellen. Immers, iemand kan niet met het oog het geheel van de golven in zich opnemen, omdat zij aan komen rollen en dan weer ontsnappen aan het waarnemingsvermogen van hem die ze probeert te tellen. Zo is het ook onmogelijk voor iemand die tracht alle werken die Christus in het lichaam verricht heeft te bevatten, ja zelfs is het onmogelijk deze in gedachten in zich op te nemen. De werken die ontsnappen aan iemands overwegingen, zijn altijd talrijker dan die iemand denkt te kunnen bevatten. 4 Voetnoten
|