Athanasius, Over de menswording van het Woord

Uit Theowiki

1 Literatuur

  • Athanasius, De Menswording des Woords. Vertaald ... door Dr. H. Berkhof, Amsterdam, Uitgeversmaatschappij Holland, 1949.
  • Benedictinessen van Bonheiden, De heilige Athanasius. Leven, spiritualiteit, werken ..., Bonheiden, Abdij Bethlehem, 1982 (= Kerkvaders 7) Hieruit is de vertaling hieronder.

2 Inleiding.

Athanasius' (295-373) werk, De menswording van het Woord, is het belangrijkste werk over Christologie in de oudheid en enorm belangrijk voor de wetenschappelijke theologie. Hij maakt een verbinding tussen goddelijke en menselijke rede in het begrip Logos.
H. III,1 2-1-4 van enorm belang voor begrijpelijkheid van wereld.
Een citaat dat ik de lezers niet wil onthouden:

C.S. Lewis, God in the Dock, Grand Rapids, William B. Eerdmans Publishing Company, 1970 (reprint 2001), 206: "When I first opened his De incarnatione I soon discovered by a very simple test that I was reading a masterpiece. I knew very little Christian Greek except that of the New Testament and I Had expected difficulties. To my astonishment I found it almost as easy as Xenophon; And only a master mind could in the fourth century, have written so deeply on such a subject with such classical simplicity. Every page I read confirmed this impression. His approach to the Miracles is badly needed today, for it is the final answer to those who object to them as 'arbitrary and meaningless violations of the laws of Nature". They are here shown to be rather the re-telling in capital letters of the same message which Nature writes in her crabbed cursive hand; the very operations one would expect of Him who was so full of life that when he wished to die He had to 'borrow death from other'. The whole book, indeed, is a picture of the Tree of Life - a sappy and golden book, full of buoyancy and confidence. We cannot, I admit, appropriae all its confidence today. We cannot poin to the high virtue of Christian living and the gay, alomost mocking courage of Christian martyrdom, as a proof of our doctrines with quite that assurance which Athanasius takes as a matter of course. But whoever may be to blame for that it is not Athanasius."[1]

3 De menswording van het Woord (tekst)

3.1 De plaats van de menswording in de heilseconomie.

5,1 Want God heeft ons niet alleen uit het niets gemaakt, maar Hij heeft ons door de genade van het Woord ook goddelijk leven geschonken. De mensen echter hebben zich afgekeerd van het eeuwige en zich op aanraden van de duivel naar de vergankelijke dingen gewend. Zo is het hun eigen schuld dat ze vergankelijk zijn geworden in de dood. Want zij waren van nature sterfelijk, maar door de genade van de deelname aan het Woord zouden ze aan deze eigenschap van hun natuur ontsnapt zijn, als ze goed gebleven waren.
5,2 Ja, omdat het Woord bij hen was, zou zelfs de vergankelijkheid van de natuur ver van hen gebleven zijn, zoals ook de Wijsheid zegt: "God heeft immers de mens geschapen voor een onvergankelijk leven en Hij heeft hem gemaakt tot een beeld van zijn eigen eeuwigheid, maar door de afgunst van de duivel is de dood in de wereld gekomen". (Wijsh. 2,2 3-24) Nu dit gebeurd was, stierven de mensen. Voortaan had de vergankelijkheid de overhand over hen. Zij was tegen de hele soort met een kracht die boven de natuur uitging. Dit te meer omdat de goddelijke toorn tegen hen dreigde vanwege het overtreden van het gebod.
5,3 En de zondigheid van de mensen bleef niet binnen bepaalde perken. Geleidelijk gingen ze alle perken te buiten, vanaf het begin zijn ze bedenkers van kwaad geweest en daardoor hebben ze zich zelf dood en vergankelijkheid op de hals gehaald. Later keerden zij zich naar de ongerechtigheid en begingen ze elk soort kwaad. In plaats van zich te beperken tot één soort kwaad, hielden ze niet op om nieuwe vormen van kwaad te vinden en was hun honger naar zonde niet te stillen.
5,4 Overal was er overspel en diefstal, en de hele wereld was vol moord en plundering. Over de wet maakte zich niemand druk, evenmin als over de vergankelijkheid en de ongerechtigheid. Alle soorten kwaad werden zowel door ieder individueel als door allen samen gedaan. Steden voerden oorlog tegen steden, volkeren stelden zich op tegen volkeren, heel de aarde werd verscheurd door opstanden en veldslagen. Men bood tegen mekaar op in het overtreden van de wet.
5,5 Ze onthielden zich ook niet van wat tegennatuurlijk is, maar zoals de getuige van Christus, de apostel, zegt: "Hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang verruild voor de tegennatuurlijke. Eveneens hebben de mannen de natuurlijke gemeenschap met vrouwen opgegeven en zijn in lust voor elkaar ontbrand: mannen plegen ontucht met mannen. Zo ontvangen zij aan den lijve het verdiende loon voor hun afdwaling." (Rom. 1,2 6-27)

3.2 De noodzaak en gepastheid van de verlossing van de mens.

6,1 Zo groeide de macht van de dood en duurde de vergankelijkheid onder de mensen voort. Het mensengeslacht ging ten gronde. De redelijke mens, geschapen naar het Beeld verdween en het werk door God begonnen vernietigde zichzelf.
6,2 De dood putte toen zijn kracht tegen ons uit de wet en het was onmogelijk om de wet te omzeilen, omdat die van God kwam, omwille van onze overtreding. Kortom wat er gebeurde was tegelijk absurd en ongepast.
6,3 Want het was absurd dat God zou liegen, als de mens niet zou sterven na de overtreding, want God had bepaald dat de mens zou sterven als hij het gebod zou overtreden. Dan zou Gods woord gebroken worden. God zou dus niet waarachtig zijn als Hij de mens niet liet sterven nadat Hij bepaald had dat wij zouden sterven.
6,4 Tevens was het ongepast dat de wezens die "redelijk" geschapen waren en deelnamen aan het Woord, verloren zouden gaan en door hun vergankelijkheid zouden terugkeren tot het niets.
6,5 Het zou niet in overeenstemming zijn met Gods goedheid als de wezens die Hij geschapen had vernietigd werden omwille van een list waarmee de duivel de mensen misleid had.
6,6 Het zou totaal ongepast zijn dat het werk dat God gedaan had om de mensen te scheppen vernietigd werd door hun eigen onverschilligheid of door een list van de duivels.
6,7 Wat moest God, die goed is, doen toen de redelijke wezens zo ten gronde gingen en zulke slechte werken deden? Moest Hij toelaten dat de vergankelijkheid macht over hen had en dat de dood over hen heerste? Maar waarom zou hij deze wezens dan hebben gemaakt bij het begin? Het zou beter voor hen geweest zijn om niet te zijn dan om zich verlaten te weten en te vergaan nadat ze geschapen waren.
6,8 Want vanuit de onverschilligheid van God zou men kunnen concluderen dat Hij eerder zwak dan goed was, indien Hij nadat Hij zijn werk geschapen had het ten grond liet gaan. Deze conclusie zou men nu eerder trekken dan wanneer hij helemaal geen mensen geschapen had.
6,9 Als Hij geen mensen geschapen zou hebben dan zou er geen reden zijn om aan zwakheid te kunnen denken. Maar nu Hij de mens gemaakt en geschapen heeft zou het totaal absurd zijn dat de scheppingswerken ten gronde gaan, en met name als dat gebeurde onder de ogen van hun schepper.
6,1 0Het paste dus niet om de mensen in de macht van de vergankelijkheid te laten, omdat dat absurd is en ingaat tegen de goedheid van God.
7,1 Maar evenals al deze dingen gebeuren moesten zo moet men ook aan het principe van de waarachtigheid van God wat betreft zijn wetgeving over de dood vasthouden. Het was absurd dat God, de vader van de waarheid, omwille van ons voordeel en onze bewaring een leugenaar leek te zijn.
7,2 Wat moest er in deze omstandigheden gebeuren of wat zou God moeten doen? Moest Hij vragen dat de mensen berouw zouden hebben over hun overtreding? Zeker dit kan waardig voor God schijnen: men zou kunnen stellen dat zoals zij door de overtreding tot de vergankelijkheid kwamen, zij zo door het berouw terug zouden keren tot de onvergankelijkheid.
7,3 Maar het berouw zou niet kunnen voldoen wat aan God toekomt. Want God zou nog altijd weinig waarachtig lijken, als de mensen niet onderworpen werden aan de macht van de dood. Ook bevrijdt het berouw niet van de natuurlijke toestand. Het maakt enkel een einde aan de zonden.
7,4 Als het alleen zou gaan over de overtreding en niet over de vergankelijkheid die erop volgde dan zou het berouw voldoende geweest zijn. Maar toen de overtreding eenmaal gebeurd was bevonden de mensen zich in de macht van het verderf dat te wijten is aan hun natuur en waren ze beroofd van de genade van hun gelijkvormigheid met het Beeld. Wat moest er dan gebeuren? Of wie was er nodig voor deze genade en dit herstel, tenzij het Woord van God dat in het begin alle dingen uit het niets geschapen had?
7,5 Hij moest de vergankelijkheid terugbrengen naar de onvergankelijkheid en omwille van allen het verlangen van de Vader te voldoen. Omdat Hij het Woord van de Vader was, dat boven alles staat, was Hij alleen in staat om alle dingen te herscheppen, en te lijden voor alle mensen en om in naam van allen een waardig voorspreker bij God te zijn.

3.3 De reden van de menswording.

3.3.1 De redenen van de verschijning van het Woord.

8,1 Dat is de reden waarom het onlichamelijk, onvergankelijke en immaterieel Woord van God naar ons gekomen is, ook al was Hij van te voren niet ver van ons. Immers geen enkel deel van de Schepping is van Hem verstoken gebleven, maar Hij heeft alles overal vervuld, Hij die bij de Vader verblijft. Maar Hij komt tegenwoordig door zich te vernederen om ons te redden door Zijn menslievendheid en door zijn verschijning.
8,2 Omdat Hij zag dat de redelijke soort zich te gronde richtte en dat de dood over hen heerste door de vergankelijkheid; en omdat Hij zag dat de dreiging w.b. de overtreding de vergankelijkheid in al zijn kracht tegen ons in standhield en dat het absurd was dat deze wet zou worden opgeheven voor hij vervuld zou zijn; en omdat Hij het schokkende feit zag dat de werken waarvan Hij de auteur was ten onder gingen; en omdat Hij de perversiteit van de mensen elke maat te boven zag gaan, omdat zij nog toenam tot hun vernietiging tot het punt waarop zij ondraaglijk werd; en omdat Hij zag dat alle mensen aan de dood onderworpen waren, kreeg Hij medelijden met ons geslacht, leed Hij mee onder onze zwakheid, daalde Hij af in onze vergankelijkheid, en aanvaardde Hij niet meer dat de dood over ons zou heersen, opdat alles wat een begin gekregen had niet zou vergaan en dat het werk van zijn Vader voor ons mensen niet nutteloos zou zijn, daarom nam Hij dus een lichaam, dat in niets van het onze verschilt.
8,3 Want Hij wilde niet slechts in een lichaam zijn en hij wilde zich niet alleen vertonen. Immers als Hij zich slechts wilde tonen dan zou hij deze godsverschijning (theofanie) hebben kunnen bewerken in een machtiger wezen dan een mens. Maar Hij neemt ons lichaam aan en hierbij is Hij niet zo maar tevreden. Hij neemt een zuiver lichaam aan uit een vlekkeloze en reine maagd, die geen man bekend heeft. Geen enkele omgang tussen mensen was erin betrokken geweest. Hij, de Machtige, de Schepper van het heelal vormt Zich het lichaam als een tempel en Hij neemt er bezit van als werktuig, om Zich zo te laten kennen en om erin te wonen.

3.4 Een lichaam als het onze.

8,4 En zo nam Hij een lichaam aan gelijk is aan het onze, dat zoals alle andere lichamen onderworpen is aan het verderf van de dood. Hij gaf het voor ons allen over aan de dood, want Hij bracht het als een offer aan de Vader. Hij deed dat uit liefde voor de mensen, met een dubbel doel. Opdat enerzijds als alle mensen in Hem sterven, (Rom. 6,8 ) de wet dat alle mensen sterfelijk zijn, haar geldigheid verliest. (Immers nadat die wet zijn hele kracht gericht heeft tegen het lichaam van de Heer, heeft zij voortaan geen macht meer over de mensen die aan Hem gelijk zijn.) Anderzijds opdat Hij de mensen die zich gewend hebben tot de vergankelijkheid naar de onvergankelijkheid kan voeren en hen uit de dood tot leven zou brengen. Want, door het lichaam dat Hij tot het zijne maakt en door de genade van de verrijzenis vernietigde Hij in hen de dood zoals een strohalm in het vuur verdwijnt.

3.5 Het vlekkeloze offer.

9,1 Want het Woord begreep dat de vergankelijkheid van de mens op geen andere manier kon worden weggenomen, dan wanneer Hij geheel in de dood ging. Hij was het Woord dat niet sterven kon en de Zoon van de Vader. Om te kunnen sterven nam Hij een sterfelijk lichaam aan. Dit lichaam heeft het vermogen, omdat het deelheeft aan het Woord, dat boven alles verheven is, om te sterven voor allen, maar dank zij de inwoning van het Woord is het zelf onvergankelijk. Zo zouden voortaan door de genade van de verrijzenis voor allen een einde komen aan de vergankelijkheid. Hij bood het lichaam, dat Hij had aangenomen, als een slachtoffer en vlekkeloze offergave aan aan de dood. Zo vernietigde hij de dood van alle lichamen die gelijk zijn aan het zijne.

3.6 Allen zijn onvergankelijk door het offer van Christus.

9,2 Want hoewel Hij als Gods Woord boven alles verheven is, offerde Hij zijn eigen tempel, het instrument van zijn lichaam, als zoenoffer voor allen, Hij betaalde met zijn dood ten volle onze schuld. Zo kan de onverganketijke Zoon van God, die met alle mensen verenigd is door een lichaam dat gelijk is aan het hunne, allen met de onvergankelijkheid bekleden en hun de verrijzenis beloven. De vergankelijkheid van de dood zelf, heeft voortaan geen macht meer over de mensen, omdat het Woord onder hen is komen wonen in een lichaam zoals het hunne.

3.7 De grote koning.

9,3 Wanneer een grote koning in een grote stad komt en zijn intrek neemt in een van de huizen, dan ziet die stad dat als een eer. Geen vijand of rover trekt meer tegen haar op om haar te verwoesten. Integendeel, iedereen acht die stad, omdat de koning in een van haar huizen woont. Zo is het ook met de Koning van het heelal.
9,4 Want toen Hij in onze wereld gekomen was en zijn intrek nam in een lichaam gelijk aan het onze, zijn alle plannen van de vijanden tegen de mensen opgehouden, evenals het verderf van de dood, die sinds lange tijd geweld over hen uitoefende. Het menselijk geslacht zou ten onder zijn gegaan, als niet Gods Zoon, de Heer en Redder van allen, gekomen was om een einde (aan deze heerschappij) te maken.

3.8 De gepastheid van de menswording.

10,1 Dit machtige werk paste helemaal bij Gods goedheid. Want wanneer een koning een huis of een stad gebouwd heeft, en rovers doen een aanval, omdat de bewoners geen zorg voor die stad gedragen hebben, dan laat hij dat huis of die stad niet in de steek. Hij verdedigt ze als zijn eigen werk en redt de inwoners uit het gevaar zonder te denken aan hun nalatigheid. Want hij denkt alleen aan wat bij zijn waardigheid past. Met des te meer reden liet God, het Woord van de algoede Vader, het menselijk geslacht, zijn werk toen het tot verderf gekomen was, niet in de steek. Hij wiste door het offer van zijn eigen lichaam de dood uit die hun deel was geworden. Hij genas hen van hun nalatigheid door zijn onderricht en keerde door zijn macht de toestand van de mensen weer geheel ten goede.
10,2 Dat werd bevestigd door de theologen van de Redder Zelf. Men kan dat lezen in hun geschriften. Daarin staat geschreven: "De liefde van Christus laat ons geen rust, sinds wij hebben ingezien, dat Eén is gestorven voor allen. Maar dan zijn allen gestorven! En Hij is voor allen gestorven, opdat wij die leven niet meer voor onszelf zouden leven, maar voor Hem die ter wille van ons is gestorven en verrezen uit de doden, onze Heer Jezus Christus". En ook: "Maar wel zien wij hoe Jezus voor een korte tijd beneden de engelen gesteld werd, om het verduren van de dood gekroond is met luister en eer, opdat Hij door Gods genade zou sterven voor allen". (Hebr. 2,9 )
10,3 Vervolgens wordt aangetoond, waarom niemand anders dan Gods Woord mens kon worden: "Het was passend dat God, oorsprong en einde van alles, die vele kinderen tot heerlijkheid wilde brengen, ook hun Aanvoerder naar het heil door lijden heen tot de voleindig zou voeren".
Dat wil zeggen dat niemand anders dan het Woord van God, dat hen bij het begin geschapen had, bij machte was de mensen te verlossen van het verderf dat over hen was gekomen.
10,4 Dat het Woord van God een lichaam aannam, omwille van zijn offerande voor lichamen die gelijk zijn aan het zijne, maken de Schriften duidelijk in de volgende woorden: "Omdat nu deze kinderen mensen zijn van vlees en bloed, heeft ook Hij dit zelfde bestaan willen delen om door zijn dood de duivel, die de heerschappij had over de dood, te onttronen en hen te bevrijden die door de vrees voor de dood levenslang tot onvrijheid waren vervallen". (Hebr. 2,1 4-15)

3.9 De verrijzenis van de mens.

10,5 Want door het offer van zijn eigen lichaam heeft Hij een einde gemaakt aan de wet die op ons drukte en een nieuw begin van leven geschonken door ons de hoop van de verrijzenis te schenken. Want, als door de mensen de dood heerste over de mensen is het wederom door de Menswording van het Woord dat de dood vernietigd werd en aan de mens de verrijzenis geschonken werd zoals de 'Christusdrager' zegt: "Want omdat door een mens de dood is gekomen, komt ook door een mens de opstanding der doden. Zoals allen in Adam sterven, zo zullen ook allen in Christus herleven, enz.". (1 Kor. 15,2 1-22) Want nu sterven wij niet meer als mensen die veroordeeld zullen worden, maar als mensen die opgewekt zullen worden uit de dood. Wij verwachten de gemeenschappelijke opstanding van allen, die God heeft bewerkt en geschonken, en die Hij ons "te rechter tijd zal doen aanschouwen". (1 Tim. 6,1 5)
10,6 Dat is de eerste reden van de Menswording van de Heiland. Maar ook uit wat volgt, zal de reden van zijn heilbrengende komst onder ons duidelijk worden.

3.10 De zwakheid van het schepsel.

11,1 Toen God de Albeheerser, het menselijk geslacht schiep door zijn Woord, zag Hij de zwakheid van de menselijke natuur, die niet in staat is om uit zichzelf de Schepper te kennen of zich ook maar de geringste voorstelling van Hem te maken. Hij is immers niet geschapen, zij zijn uit het niets geschapen. Hij is onlichamelijk, maar de mensen op aarde zijn gevormd met een lichaam. Om het kort te zeggen: er is een groot onvermogen bij de schepsels om de Schepper te begrijpen en te kennen. Toen erbarmde God, omdat Hij goed is, zich opnieuw over het menselijk geslacht, en Hij liet hen niet zonder mogelijkheid om Hem te kennen, anders zouden hun bestaan zinloos zijn.
11,2 Want wat zouden de schepselen eraan hebben om te bestaan als zij hun Schepper niet kunnen kennen? Of hoe zouden de mensen redelijke wezens kunnen zijn als zij het Woord van de Vader niet zouden kennen in Wie zij geworden zijn? Want ze zouden niet van de redeloze wezens verschillen als zij slechts de aardse dingen zouden kennen. En waarom zou God hen gemaakt hebben als Hij niet door hen gekend wilde worden?

3.11 Jezus Christus is het beeld van God.

11,3 Opdat dit niet gebeuren zou, heeft Hij hen, in zijn goedheid, zijn eigen Beeld, onze Heer Jezus Christus, meegedeeld. Hij heeft hen geschapen naar zijn eigen beeld en gelijkenis, opdat zij door deze genade het Beeld zouden erkennen: het Woord van de Vader, en door Hem zouden zij zich een voorstelling van de Vader kunnen maken. En wanneer zij de Schepper kenden, zouden zij gelukkig en zalig kunnen leven.

3.12 De mensen maken afgoden.

11,4 Maar in hun waanzin veronachtzaamden zij de genadegave die hun werd geschonken. Zij keerden zich zo ver van God af en bevlekten zozeer hun ziel, dat zij niet alleen de voorstelling van God vergaten, maar dat zij ook alle mogelijke andere goden in zijn plaats fabriceerden. Want zij maakten afgoden die de plaats van de Waarheid moesten innemen. Zij gaven de voorkeur aan het niets boven de God die is, zij aanbaden liever de schepping dan de Schepper. Maar wat nog erger is, zij gaven de aanbidding die God toekomt, aan afgoden, gemaakt uit hout, steen of van ander materiaal, zelfs aan mensen. Zoals reeds eerder werd gezegd: zij bedreven nog meer van dergelijke daden.
11,5 Zo ver gingen zij in hun goddeloosheid dat zij demonen vereerden en hen goden noemden. Zij deden niets anders dan voldoen aan hun eigen begeerten. Want zij brachten offers van redeloze wezens en zelfs mensenoffers, zoals reeds eerder vermeld werd, en hierdoor geprikkeld werden ze steeds meer hun slaven.
11,6 Daarom werd bij hen magie geleerd, en de waarzeggerij bedroog de mensen in verschillende landstreken. Men schreef de reden van zijn geboorte en bestaan toe aan de sterren en aan andere hemelse wezens. Zij hielden alleen rekening met het zichtbare.
11,7 Samengevat, alles was vol afgoderij en wetteloosheid. Alleen God en zijn Woord kende men niet. Toch had Hij Zich niet verborgen door Zich onzichtbaar te maken voor de mensen. Hij had hun niet slechts één manier gegeven om Hem te leren kennen. Hij had heel wat mogelijkheden geschapen (om Hem te leren kennen).

3.13 Gods werken.

12,1 Want de genade van het naar Gods beeld geschapen zijn was in zichzelf voldoende om God, het Woord, te leren kennen en door Hem de Vader. Maar God die de zwakheid van de mensen kent, zorgde voor hen door hun de mogelijkheid te geven, om als zij in hun achteloosheid Hem niet meer uit zichzelf zouden kennen, Hem te kennen uit zijn werken.

3.14 Gods Voorzienigheid.

12,2 Maar toen hun achteloosheid ten top steeg, zorgde God weer voor hen in hun zwakheid door de Wet en de profeten te zenden, die zij gemakkelijk konden leren kennen. Zelfs als zij er niet toe kwamen hun ogen naar de hemel te richten en hun Schepper te erkennen, zouden zij toch de leraren vlak bij zich hebben. Want het is gemakkelijker voor de mensen om van hun medemensen de kennis van de hogere dingen te ontvangen.

3.15 De mensen konden door de schepping God leren kennen.

12,3 Zo konden zij dus door hun ogen op te slaan naar de verhevenheid van de hemel en door de harmonie van de schepping te beschouwen het Hoofd van alles, het Woord van de Vader, leren kennen. Hij is het die door zijn algehele Voorzienigheid aan allen de Vader openbaart en het heelal beweegt, opdat door Hem allen God zouden leren kennen.
12,4 Indien zij echter ook hiertoe geen bereidheid toonden, was het hun mogelijk de heiligen (van het Oude Testament) te ontmoeten en van hen te vernemen Wie de Schepper is van het heelal, de Vader van Jezus Christus, en van hen te leren dat de afgodendienst in wezen atheïsme, ja heiligschennis is.

3.16 De wet leert de mens God te dienen.

12,5 Omdat zij de Wet kenden, waren zij in staat een einde te maken aan alle wetsovertredingen en een deugdzaam leven te leiden. De Wet was immers niet alleen voor de Joden bestemd en de profeten waren niet alleen gezonden tot de Joden die hen vervolgden, maar zij waren voor de gehele wereld een heilige leerschool in de kennis van God en het geestelijke leven.

3.17 De onwil van de mensen.

12,6 Hoewel dus Gods goedheid en zijn mensenliefde zo groot waren, hebben de mensen, overmeesterd door de onmiddellijk in hun bereik liggende genietingen, het zinsbedrog en de bedriegerijen van de demonen, zich niet gekeerd naar de Waarheid. Zij hebben zich laten verleiden tot steeds groter kwaad en steeds talrijker zonden. Zo leken zij geen redelijke wezens meer te zijn, maar volgens hun gedrag meer redeloze wezens.

3.18 Door Jezus kan de mens God weer leren kennen.

13,7 Wat moest God dus doen? Was er iets anders mogelijk dan hun naar Gods beeld geschapen zijn weer te vernieuwen, opdat de mensen Hem opnieuw zouden kunnen leren kennen? Maar hoe kon dit anders geschieden dan door de verschijning van God Zelf, onze Redder Jezus Christus? Door middel van mensen was dit niet mogelijk, want zij zijn ook (allen) geschapen naar het Beeld, ook niet door middel van engelen, want zelfs zij zijn niet het beeld.
Daarom is het Woord van God Zelf gekomen, want alleen Hij, het Beeld van de Vader, kon de mensen weer de mogelijkheid teruggeven te zijn volgens het Beeld van de Vader.
13,8 Maar dit kon slechts geschieden, wanneer de dood en het verderf vernietigd waren. Daarom nam Hij met recht een sterfelijk lichaam aan om Zich in de dood te kunnen vernietigen en zo de mensen in staat te stellen, geschapen als zij waren naar het Beeld, weer hersteld te worden in hun oorspronkelijke staat. Niemand anders dan het Beeld van de vader kon aan deze nood voldoen.

3.19 De zelfvernedering van het Woord.

16,1 Want toen eenmaal de geest van de mens gevallen was in het stoffelijke, vernederde het Woord Zich door Zich zichtbaar te maken in een lichaam om zo, als mens, de mensen tot Zich te trekken en hun zinnen naar Hem te richten. Voortaan zouden ze Hem zien als mens. Door zijn werken zou Hij hen overtuigen dat Hij niet slechts een mens was als andere mensen, maar God, Woord van de ware God en Wijsheid.
16,2 Dit wil Paulus duidelijk maken, wanneer hij zegt: "Geworteld en gegrondvest in het geloof opdat gij in staat moogt zijn met alle heiligen te vatten, wat de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat en gij de volheid bereikt die de volheid van God Zelf is".
16,3 Want het Woord ontplooit Zich in alle richtingen: naar omhoog en naar omlaag, naar de diepte en naar de breedte. Omhoog naar de schepping, omlaag naar de Menswording, in de diepte naar de hel, in de breedte naar de wereld. Alles is vervuld van de kennis Gods.
16,4 Daarom heeft Hij niet dadelijk na zijn komst in de wereld zijn offer voor allen opgedragen door zijn lichaam aan de dood over te leveren en het weer op te wekken. Hierdoor zou Hij Zich juist onzichtbaar hebben gemaakt.

Integendeel, Hij heeft Zich juist zichtbaar gemaakt door in dit lichaam blijvend zijn intrek te nemen, werken te verrichten en tekenen te tonen. Daardoor leerde men Hem niet meer (alleen) kennen als mens, maar (ook) als Gods Woord.
16,5 Op twee wijzen heeft Jezus door zijn Menswording getuigd van zijn liefde voor de mensen: Hij heeft de dood van ons weggenomen, ons vernieuwd én, hoewel verborgen en onzichtbaar, liet Hij Zich kennen door zijn werken als het Woord van de Vader, het Hoofd en de Koning van het heelal.

3.20 De vereniging van de Logos met het menselijk lichaam.

17,1 Want Hij was niet opgesloten in het lichaam, Hij was niet in het lichaam zonder tegelijkertijd elders te zijn. Hij bestuurde niet zijn lichaam, terwijl Hij aan het heelal zijn kracht en voorzienigheid ontnam. Maar het meest verwonderlijke van alles is: als Woord werd Hij niet omvat door enig wezen, maar Hij omvatte alles.

En hoewel Hij aanwezig is in de hele schepping, blijft Hij buiten alles door zijn wezen. Maar Hij is in alles door zijn krachten. Hij ordent alles en oefent zijn voorzienige zorg over alles uit, Hij brengt alles wat bestaat afzonderlijk én tegelijkertijd tot nieuw leven. Hij omvat het heelal, maar wordt Zelf niet omvat door het heelal. Hij woont geheel en al en in elk opzicht in zijn Vader.
17,2 Zo gaf Hij ook, toen Hij in zijn menselijk lichaam woonde en dit het leven gaf, het leven aan alles wat bestaat. Hij was in alles en buiten alles. Hij liet Zich kennen door zijn lichaam in zijn werken, maar Hij maakte Zich evenzeer zichtbaar door zijn kracht in de schepping.

3.21 De onmacht van de mens.

17,3 De ziel moet in haar overwegingen beschouwen wat buiten haar eigen lichaam is, maar niet om te handelen buiten het lichaam of om door haar aanwezigheid in beweging te brengen wat zich op een grote afstand bevindt. Nooit kan een mens datgene wat hij van ver aanschouwt bewegen of verplaatsen. Als iemand voor zijn huis zit en nadenkt over hetgeen hij aan de hemel ziet, kan hij niet de zon van plaats laten veranderen noch het hemelgewelf laten draaien. Ongetwijfeld ziet hij dat zij bewegen en hij merkt hun bestaan op, maar hij is niet in staat een van beide voort te brengen.

3.22 Christus, God en mens.

17,4 Maar de inwoning van het Woord Gods in een lichaam was anders. Hij was niet gebonden door het lichaam, maar beheerste het integendeel, en wel zo dat Hij tegelijkertijd in zijn lichaam was én in alles wat is. Maar ook was Hij buiten alles wat is en Hij rustte alleen in de Vader.
17,5 Het meest verwonderlijke echter was dat Hij leefde als mens en als Woord aan alles het leven gaf en als Zoon bij de vader was. En om deze reden leed Hij niets toen de Maagd Hem baarde en Hij werd niet bezoedeld door zijn aanwezigheid in het lichaam, maar Hij heiligde het veeleer.
17,6 Want hoewel Hij in alles aanwezig is, heeft Hij geen deel aan alles wat is. Alles ontvangt echter van Hem leven en voedsel.
17,7 Wanneer de zon die door Hem geschapen is en door ons wordt gezien, rondwentelt aan de hemel, wordt zij niet bezoedeld door de aardse lichamen die zij aanraakt en zij wordt niet verduisterd door de schaduwen, maar veeleer verlicht en reinigt zij dat alles. Hoeveel te meer dan werd het allerheiligste Woord van God, dat ook de Schepper en de Heer van de zon is, niet bezoedeld door het lichaam, waardoor Hij voor allen kenbaar werd. Maar omdat Hij onvergankelijk is, schonk Hij leven aan het sterfelijk lichaam en reinigde het, Hij die, zoals de Schrift zegt: "geen zonde heeft gedaan en in wiens mond geen bedrog werd gevonden".

3.23 De eenheid van het Woord met Zijn menselijk lichaam.

18,1 Wanneer dus de theologen zeggen dat Hij at en dronk en geboren werd, weet dan dat het lichaam als lichaam werd gebaard en gevoed met passend voedsel, maar dat Hij, het Goddelijk Woord dat de hele kosmos bestuurt, verenigd met het lichaam, zich ook dat door de werken die Hij in het lichaam tot stand bracht, Zich openbaarde niet als mens maar als het Woord van God.

Toch gaat het over Hem, want het lichaam dat at, werd gebaard en leed was niet het lichaam van iemand anders, maar dat van de Heer. En omdat Hij mens werd, paste het over Hem zo te spreken als men over een mens spreekt om aan te tonen dat Hij in werkelijkheid en niet in schijn een lichaam had.
18,2 Maar zoals men hieruit zijn lichamelijke tegenwoordigheid herkende, zo herkende men Hem als de Zoon van God vanuit de werken die Hij verrichtte door middel van het lichaam. Zo riep Hij tot de ongelovige Joden: "Als Ik de werken van mijn Vader niet doe, behoeft gij Mij niet te geloven, maar als Ik ze wel doe, gelooft dan die werken, al wilt gij Mij niet geloven. Dan zult gij inzien en erkennen dat de vader in Mij is en Ik in Hem".

Want hoewel Hij onzichtbaar is, wordt Hij gekend vanuit zijn scheppingswerken; zo zou men ook, toen Hij mens was geworden en aan het gezicht onttrokken was in het lichaam, weten dat niet een mens maar de Kracht en het Woord van God deze verrichtte.

3.24 Christus is God.

18,4 Immers bevelen geven aan de demonen en hen verjagen is geen mensenwerk, maar Gods werk. En hoe kan men, wanneer men aanschouwt dat Hij de ziekten waaraan de mensheid lijdt, geneest, Hem nog voor een mens houden en niet zien dat Hij God is? Want Hij reinigde melaatsen, liet lammen lopen, opende de oren van doven, liet blinden zien. Kortom Hij verdreef alle ziekten en zwakheid bij de mensen, zodat de eerste de beste kon bemerken dat Hij God was. Want als iemand Hem ziet geven wat van de geboorte af ontbrak en hem de ogen van de blindgeborene ziet openen, zou hij dan niet begrijpen dat de geboorte van de mens aan Hem onderworpen is en dat Hij de Maker en Bewerker ervan is? Want Hij die aan een mens schenkt wat Hij tekortkwam vanaf de geboorte, is toch duidelijk ook de Heer van de schepping van de mensen.
18,5 Daarom vormde Hij zich, toen Hij naar ons kwam, een lichaam uit een maagd om aan allen een niet gering bewijs van zijn Goddelijkheid te geven. Want Hij die dat lichaam geboetseerd heeft, is ook de Schepper van de andere lichamen. Immers indien men dit lichaam ziet, voortgekomen uit een maagd zonder tussenkomst van een man, zou men dan niet tot de gedachte komen dat Hij die verschijnt in een lichaam ook de Schepper en Heer is van de andere lichamen?
18,6 En wanneer men ziet dat de natuur van het water veranderd wordt in wijn, zou men dan niet inzien dat Hij die dit doet de Heer en Schepper is van de natuur van alle water? Daarom ging Hij als Heer van het water over het meer en wandelde erop als op het land. Op deze wijze gaf Hij aan allen die dit zagen een bewijs van zijn heerschappij over het heelal. En toen Hij met weinig een menigte voedde en uit bijna niets overvloed verschafte, zodat Hij met vijf broden vijfduizend mensen verzadigde en er nog zoveel overbleef, liet Hij duidelijk zien dat Hij als Heer in alles voorziet.

3.25 De hele schepping belijdt dat Christus Gods Zoon is.

19,1 Het leek erg passend voor de Heiland om dit alles te doen, opdat de mensen die tot nu toe zijn voorzienigheid in alles miskend hadden en zijn Goddelijkheid niet uit de schepping hadden leren kennen. Opdat nu hun ogen zouden opengaan voor de werken van zijn lichaam en zich een denkbeeld zouden (kunnen) vormen van de kennis van de Vader, door, zoals ik reeds gezegd heb, te redeneren vanuit zijn werken om in staat te zijn een oordeel te vellen over zijn voorzienige zorg voor alles.
19,2 Want wie zou er nog aan twijfelen - wanneer Hij zijn macht over de duivels ziet of bemerkt dat de duivels Hem erkennen als hun Heer - dat Hij Gods Zoon is en zijn (Gods) Wijsheid en Macht?
19,3 Immers, Hij heeft niet voor altijd aan de schepping het zwijgen opgelegd, maar - en dit wekt onze bewondering - in zijn dood, of beter gezegd, in het overwinningsteken over de dood, ik bedoel zijn kruis, belijdt de schepping dat Hij die naar het lichaam zich openbaart en lijdt, niet alleen een mens is, maar Gods Zoon en de Redder van allen. Want de zon verliet haar baan en de aarde beefde en de bergen scheurden, allen waren geschokt van angst. Uit alles bleek dat Christus, die aan het kruis hing, God was en dat de hele schepping, die door haar angst getuigde van de aanwezigheid van haar Heer, zijn dienstmaagd is.

3.26 De dood van Christus, het voornaamste geloofspunt.

19,4 Zo openbaarde God, het Woord, Zichzelf aan de mensen door zijn werken. Het is passend om het einde van zijn leven en werken in het lichaam te verhalen. Ook zal ik uitleggen van welke aard de dood van zijn lichaam was. Dat doe ik vooral omdat dit ons voornaamste geloofspunt is en de mensen er eenvoudigweg niet mee ophouden hierover te praten. Zo zult u bemerken dat juist hierin Christus zich niet minder als God en Zoon van God openbaart.

3.27 Samenvatting.

20,1 De oorzaak en aard van zijn lichamelijke verschijning hebben wij uiteengezet in de mate dat Wij zelf het konden begrijpen. Wij zeiden dus dat niemand anders de macht had het vergankelijke weer tot de staat van onvergankelijkheid terug te brengen dan de Heiland Zelf, die ook in den beginne alles vanuit het niet heeft geschapen. Ook kwam het aan niemand anders toe het geschapen-zijn naar het Beeld van God bij de mens te herscheppen mensen dan aan het Beeld van de Vader. Ook het sterfelijke tot onsterfelijkheid brengen kwam aan niemand anders toe dan aan het Leven Zelf, onze Heer Jezus Christus. Tenslotte kon ook niemand anders ons onderrichten over de Vader en de afgodendienst vernietigen dan het Woord, dat alles regeert en dat alleen de eniggeboren en waarachtige Zoon van de Vader is.

3.28 Christus moest onze schuld betalen.

20,2 Maar bovendien moest Hij de schuld van allen betalen. Want -zoals ik reeds eerder gezegd heb- allen moesten sterven. Dit was de voornaamste reden van zijn komst op deze aarde. Daarom, nadat Hij door zijn werken zijn God-zijn had aangetoond, gaf Hij tenslotte voor allen Zich ten offer en leverde voor allen zijn tempel (de tempel van zijn lichaam) uit aan de dood om allen te bevrijden en te verlossen van de eerste overtreding, en door zijn eigen lichaam, als Eersteling van de algemene verrijzenis, onbederfelijk te tonen.
20,3 Verbaas u niet als wij hierover dikwijls in herhaling vallen. Want omdat wij spreken over Gods welbehagen drukken wij dezelfde gedachte in zeer veel woorden uit om niet de schijn te wekken dat we iets overgeslagen hebben en om niet beschuldigd te worden van onvoldoende uitleg. Het is beter beschuldigd te worden van in herhalingen te zijn gevallen dan van weggelaten te hebben wat gezegd moest worden.
20,4 Omdat dus zijn lichaam in elk opzicht van dezelfde natuur was als andere lichamen, was het een menselijk lichaam. Hoewel het door een ongehoord wonder ontstaan was, alleen uit een maagd, was het toch sterfelijk en Hij stierf dan ook gelijk andere lichamen. Maar omdat het Woord in Hem binnentrad, onderwierp Hij Zich niet aan het verderf volgens zijn natuur. Door de inwoning van het Woord was Hij niet vergankelijk.

3.29 Eén stierf voor allen.

20,5 Dit tweevoudige mysterie voltrok zich wonderlijk genoeg in één en het zelfde lichaam: de dood van allen voltrok zich in het lichaam van de Heer, én dood en verderf werden vernietigd door het Woord dat Zich met het lichaam verenigde. Want de dood was noodzakelijk, hij moest tot allen komen, opdat wat door allen verschuldigd was, zou betaald worden.
20,6 Vandaar dat het Woord dat niet in staat was te sterven, want Het was onsterfelijk, een lichaam aannam om het in naam van allen aan te bieden als offer. Zelf leed Hij voor allen door de nederdaling in dit lichaam om "hem die de macht over de dood heeft, dat is de duivel, te ontkrachten en hen te bevrijden die gedurende hun gehele leven in slavernij werden gehouden door de vrees voor de dood".

3.30 Het einde van de straf, de dood, heerst niet meer.

21,1 Zeker zullen zij die in Christus geloven, nu Hij, de Redder van allen, voor ons de dood heeft ondergaan, niet meer zoals vroeger de dood sterven, overeenkomstig de dreiging van de Wet. Want aan deze veroordeling is een einde gekomen. De vergankelijkheid bestaat niet meer en is weggevaagd door de genade van de verrijzenis, voortaan zullen wij slechts ontbonden worden overeenkomstig de sterfelijke conditie van ons lichaam op de tijd die God voor ieder heeft bepaald, opdat wij aan een betere verrijzenis deel zouden kunnen hebben.

3.31 Dood, waar is uw angel? De lichamelijke dood is overwonnen.

21,2 Zoals zaad dat in de aarde wordt gestrooid, zullen wij niet vernietigd worden, maar wij worden gezaaid om te verrijzen. Want de dood is teniet gedaan krachtens de genade van de Redder. Daarom zegt de gelukzalige Paulus die voor allen de waarborg is geworden van de verrijzenis: "Want dit vergankelijke moet met onvergankelijkheid worden bekleed en dit sterfelijke met onsterfelijkheid. En wanneer dit vergankelijke met onvergankelijkheid is bekleed, dan zal het woord van de Schrift in vervulling gaan: de dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is uw angel?".
21,3 Misschien zegt iemand: Waarom moest Hij zijn lichaam overleveren aan de dood, waarom heeft Hij het niet, zoals eigen aan een mens, afgelegd, maar is Hij zo ver gegaan dat Hij het (lichaam) liet kruisigen? Het paste toch beter bij Hem op waardige wijze zijn lichaam af te leggen dan de schande van een dergelijke dood te ondergaan?
21,4 Overweeg nog eens of deze tegenwerping niet al te menselijk is. Wat aan de Redder geschiedde is waarlijk passend bij God en in veel opzichten zijn Goddelijkheid waardig. Ten eerste, omdat de dood die de mensen overkomt, aan hen geschiedt wegens de zwakheid van hun natuur, want zij kunnen niet blijven leven. Hun eenheid zal na bepaalde tijd verbroken zijn. Daarom overvallen hen ziekten, verliezen zij hun krachten en sterven ze. Maar de Heer is niet zwak, Hij is Gods Kracht, het Woord van God en het Leven Zelf.

3.32 Waarom stierf Jezus niet zoals andere mensen?

22,5 Indien Hij ergens alleen op een bed volgens de gewoonte van de mensen zijn lichaam had afgelegd, zou men gedacht hebben dat Hij de dood onderging omwille van de zwakheid van zijn natuur en dat Hij niets méér had dan andere mensen. Maar omdat Hij het Leven en het Woord van God was en moest sterven voor allen, gaf Hij, als het Leven en de Macht, sterkte aan het lichaam.

3.33 De Heer kon niet ziek of zwak zijn.

21,6 Maar, aan de andere kant omdat de dood onvermijdelijk was, maakte Hij Zich van deze gelegenheid meester, niet uit Zichzelf, maar door middel van anderen om zijn offer te volbrengen. Het paste niet dat de Heer ziek werd, als Hij de ziekten van anderen genas. Ook kon zijn lichaam niet verzwakken, want Hij maakte de zwakken sterk.
21,7 Waarom heeft Hij de dood niet tegengehouden zoals Hij de ziekte tegenhield? Omdat Hij juist daarom een lichaam had en het niet paste die (de dood) tegen te houden, anders had Hij de verrijzenis verhinderd. Evenmin paste het dat een ziekte aan de dood voorafging, men zou dan gedacht hebben aan de zwakheid van de Mens die in het lichaam was. Had Hij dan geen honger? Ja, Hij had honger naar de hoedanigheid van het lichaam, maar Hij is niet gestorven aan honger, omdat zijn lichaam het lichaam van de Heer was. Daarom, hoewel Hij stierf als losprijs voor allen, heeft Hij toch niet het verderf gekend. Want Hij is ongeschonden verrezen, omdat zijn lichaam niet was als dat van een ander mens, maar het lichaam van het Leven Zelf.

3.34 Ernst maken met het zoeken naar de waarheid.

54,1 Zoals iemand die God wil zien, hoewel Hij naar zijn natuur onzichtbaar is en in het geheel niet gezien kan worden, Hem vat en kent vanuit zijn werken, zo moet ook hij die met zijn geest Christus niet kan zien, trachten Hem te leren kennen vanuit de werken van zijn lichaam. Hij moet ook onderzoeken of het werken van God of van een mens zijn.
54,2 En indien het menselijke werken zijn, laat hij er dan mee spotten! Maar indien hij inziet dat het geen menselijke maar goddelijke werken zijn, laat hij dan niet meer lachen over iets waarmee niet gespot mag worden, maar liever zijn bewondering erover uitspreken dat de goddelijke werkelijkheden aan ons getoond worden op een zo eenvoudige wijze. En ook dat door de dood de onsterfelijkheid voor allen gekomen is en de Menswording van het Woord ons de goddelijke Voorzienigheid in alles deed kennen. Maar vooral dat het Woord Zelf de Leider en Schepper is.

3.35 De vergoddelijking van de mens.

54,3 Want Hij is mens geworden, opdat wij zouden worden vergoddelijkt (tot God gemaakt zouden worden)! Hij heeft zich geopenbaard door middel van een lichaam, opdat wij kennis zouden krijgen van de onzichtbare Vader. Hij heeft de schande die de mensen Hem aandeden verdragen, opdat wij de onsterfelijkheid zouden krijgen. Het is waar, Hij leed hierdoor geen enkel nadeel, omdat Hij niet kan lijden en niet aan het verderf onderhevig is en het Woord van God Zelf is. Maar hoewel Hij Zelf niet kon lijden, heeft Hij de lijdende mensheid, om wie Hij dit alles doorstond, bewaard en gered.

3.36 De mens kan de liefde niet peilen.

54,4 In één woord, de werken van de Redder die geschiedden door zijn Menswording zijn van die aard en zijn zo groot dat iemand die ze zou willen verhalen, zou lijken op iemand die de vlakte van de zee overziet en dan de golven wil tellen. Immers, iemand kan niet met het oog het geheel van de golven in zich opnemen, omdat zij aan komen rollen en dan weer ontsnappen aan het waarnemingsvermogen van hem die ze probeert te tellen. Zo is het ook onmogelijk voor iemand die tracht alle werken die Christus in het lichaam verricht heeft te bevatten, ja zelfs is het onmogelijk deze in gedachten in zich op te nemen. De werken die ontsnappen aan iemands overwegingen, zijn altijd talrijker dan die iemand denkt te kunnen bevatten.
54,5 Het is dus beter niet over alle werken die wij kunnen aanschouwen te spreken, want het is zelfs niet mogelijk er maar een gedeelte van op te sommen. Daarom stelden wij u maar een enkele voor de geest en laten het aan u over het geheel te bewonderen. Want alles is een even groot wonder waarheen men ook zijn ogen richt. Men is verbijsterd door de bewondering als men de Godheid van het Woord erin aanschouwt.

4 Voetnoten

  1. Vlg. ook Stanley L. Jaki, Bible and Science, Front Royal, Va, Christendom Press, 1996 (2 1999), 87-89.