De verspreiding van het Christendom in de oudheid

Uit Theowiki


Literatuur.

  • P. Allard, Le christianisme et l'empire romain, Paris, 1925.
  • Herbert Butterfield, Christianity in European History, London, Collins, 1952,
  • W.H.C. Frend, The Rise of Christianity, London, Darton, Longman and Todd, 1984.
  • Claude Tresmontant, La metaphysique du Christianisme, Paris, Seuil, 1961.
  • Stephen Benko, Pagan Rome and the Early Christians, London, B.T. Batsford Ltd., 1984.
  • John R. Bartlett, Jews in the Hellenistic World. Josephus, Aristeas, The Sybilline Oracles, Eupolemus, Cambridge University Press, 1985 (= part one of: Cambridge Commentaries on Writings of the Jewish and Christian World 200 BC to AD 200.

De voorbereiding van de wereld op de komst van de verlossing.

Volgens Paulus is Jezus Christus (ca -6-30) op het moment van de volheid der tijden gekomen (Gal. 4,4; Ef. 1,10; Hebr. 1,1-2). Over de voorbereiding van de wereld op de komst van Christus ligt een sluier omdat Gods raadsbesluit hieromtrent niet verder geopenbaard is.

Het Jodendom.

Het Joodse volk werd door God op een bijzondere manier voorbereid. Zijn enige invloed op de wereld heeft het gehad door zijn religie. Het was een volk dat zich onderscheidde door zijn monotheïsme en ten tijde van Jezus ook door de verwachting van een (persoonlijke) Messias. Het Joodse godsbeeld was een unicum in de oudheid: het had geen beeld, geen mythen, geen cult-gebruiken waardoor mensen deel kregen aan de macht van de godheid.
Deze verwachting van een Messias was m.n. levend geworden in de tijd van de vervolgingen onder de Syrische koning Antiochus Epiphanes (175-164). In -142 heroverde het volk zijn onafhankelijkheid. In de tijd van de beproeving keerde het volk ook terug naar de wet en de Farizeeën werden hun geestelijke leiders.
Onder Pompejus komt het land in -63 onder Romeinse overheersing en gaat zo deel uitmaken en gemakkelijk toegang krijgen tot de wereld van het Romeinse Rijk.
Het Joodse volk was al een tijd lang niet meer beperkt tot het gebied van Israël. Door de Assyrische ballingschap (-722) en de Babylonische (begin -587 of -586) werd het ook al over andere landen verspreid. Als rasecht handelsvolk verspreidde het zich over de hele bekende wereld. Vooral in Egypte waren er veel Joden. Daar ontstond in Alexandrië dan ook al in de derde eeuw vóór Christus de eerste vertaling van de Schrift in het Grieks: de zogenaamde Septuagint (afgekort: LXX).
Door hun eigen godsgeloof, door hun eredienst en hun zedelijk leven oefenden de Joden geen geringe invloed uit op andere volkeren. Soms werden niet-Joden als proselieten (via besnijdenis enz.) opgenomen in de Joodse gemeenschap. Velen werden zogenaamde godvruchtigen (φοβουμενοι of σεßομενοι του θeov). Onder deze laatste groep vond het jonge Christendom later veel aanhangers. In elk geval zorgde de verspreiding van de Joden en hun godsdienstige gedachtengoed ervoor dat de God van het O.T. (en de roep van een monotheïsme) niet helemaal onbekend was in de wereld.
Het Jodendom zorgde er zo ook voor dat bij voorbeeld missionarissen zoals Paulus overal steunpunten voor de missie vonden in de vorm van hechte Joodse gemeenschappen, en synagogen waar zij het woord konden voeren tot ca 80,[1] en waar hij vaak zijn eerste aanhangers vond.

De heidenwereld.

Als wij de geschiedenis van de mensheid verder bekijken, voor zover onze informatie reikt, dan heeft de mensheid bij de komst van het Christendom reeds enkele millennia van cultuur en grotere rijken achter de rug, denk aan Babylon, Egypte, Kreta en andere. Een culturele ontwikkeling die geleidelijk van de grond kwam na de laatste ijstijd ca. 8000 jaar geleden. Een ontwikkeling die van zeer grote invloed is voor de geschiedenis van de Openbaring en het Christendom in het bijzonder is het ontstaan en de verspreiding van het schrift en m.n. het letterschrift. Rond het begin van de tijdrekening kon deze uitvinding reeds op een behoorlijke geschiedenis bouwen en bogen op een vrij algemene verspreiding had onder de cultuurvolkeren.
Verder mogen wij opmerken dat het Romeinse Rijk ten tijde van Jezus tot zijn maximale expansie gekomen was en voor de eerste keer langere tijd vrede kende. De Romeinen hadden voor één wereldrijk gezorgd met vrij goede transportwegen en infrastructuur, zeeën en wegen waren relatief veilig en vrij van rovers en piraten, men kende een goedwerkend en eenvormig wetsysteem, één zekere culturele eenheid, één taal (het Grieks) enz. .
Het rijk genoot vanaf keizer Augustus (-27-14) een felbegeerde vrede na lange burgeroorlogen.
Deze periode van relatieve vrede vanaf Augustus tot aan de dood van keizer Marcus Aurelius (180) noemt men dan ook vaak de Pax Romana. Origines schreef hierover rond 248 dat God de volkeren zo had voorbereid en bewerkt dat de Romeinse keizer de ganse wereld beheerste ... want als er meerdere rijken geweest zouden zijn dan zou dat hinderlijk geweest zijn voor de verbreiding van de leer van Jezus over heel de aarde. (C. Celsum II,30).

De Grieks-Romeinse cultuur valt onder de term hellenisme. Op intellectueel vlak was m.n. het Grieks (=Helleense) denken van het allergrootste belang, zelfs buiten de grenzen van het Romeinse Rijk, zoals in Egypte. Dit denken had zich verspreid met name door de grote veroveringen van Alexander de Grote (356-323). Nadat de Romeinen Griekenland en zijn kolonies onderwierpen (-189) ondergingen zij zelf deze cultuur, die zij vervolgens actief verspreidden in hun hele rijk.
Door het Griekse denken was het klassieke geloof in het polytheïsme verregaand in diskrediet gebracht. Onder de intellectuelen van die tijd was atheïsme geen zeldzaamheid geworden.
Er ontstond in die tijd de keizercultus, eerst voor de afgestorven keizer, later ook voor de levende keizer. Vanuit het oosten rukten ook langzaam aan mysteriecultussen op naar Rome (Midras e.a.) en een heleboel magische en bijgelovige praktijken.
De filosofie was na Plato (429-347) en Aristoteles (384-322) over haar hoogtepunt heen. Toch had het Griekse denken de fundamentele principes voortgebracht van waaruit het hele Rijk bewust of onbewust dacht. De kenleer van Plato had invloed. Hij leerde m.n. het bestaan van ideeën in de ideeënwereld, het voorbestaan van de ziel, enz.
Overheersend waren in die tijd:

  • het epicurisme (Epicurus van Samos + -270). Zijn aanhangers ontkennen dat de goden zich met de mensen bemoeien, leer van genot. Had echter zijn grootste invloed verloren.
  • het stoïcisme (Zeno van Kition + -260) zedelijkheid, pantheïstisch-monistisch (materialistisch), zij vatten de wereld op als een blinde aflopend noodlot (fatum).
  • het scepticisme dat naar eigen zeggen afstamde van Pyrrho van Elis (bloei -330) en dat een elke vorm van denken in vraag stelde. Deze opvatting had vrijwel uitsluitend invloed in intellectuele kringen.

De grootste invloed ging uit van het stoïcisme en het denken van Plato. Zowel het stoïcisme als het platonisme van de eerste twee eeuwen stonden vrij ver af van hun oorsprong en hadden mekaar ook wederzijds beïnvloed. In de loop van de derde eeuw zou het neo-platonisme van Plotinus (205-270) een grote invloed krijgen.
Terwijl het Romeinse Rijk tot aan zijn uiterste grenzen uitgebreid was greep het bewustzijn van verderf en verval langzaam om zich heen.
De oosterse mysterieculten boden orgie-achtige en wilde gebruiken en beloofden een redding van de ziel, vereniging met God, esoterische kennis, enz. .
In de tijd van Jezus is er in het hele Romeinse Rijk een duidelijke tendens aanwezig naar het monotheïsme en een enorme religieuze belangstelling. Tegelijk kunnen we opmerken dat het heidendom geen positieve religie was maar een levensopvatting met respect voor de macht van de sterkste een verheerlijking van genot en egoïsme.
Er waren velen die een moraal probeerden op te bouwen zoals Aristoteles; een moraal die streeft naar gelukzaligheid; een moraal die impliciet smacht naar God (en eeuwigheid).

De verspreiding van het Christendom.

Nog in de apostolische tijd kreeg het Christendom in de meest provinciën van het rijk voet aan de grond. Het vestigde zich binnen één generatie in Rome, Israël, Klein-Azië en Griekenland.[2] In het begin was het Christendom m.n. een stadsreligie. Het vond aanhangers onder de Joden en de "Joodse" godvrezenden. Het vond vooral aanhang onder de midden- en lagere standen: handwerkslieden, kooplui, slaven en onder vrouwen. Toch ontbraken zoals wij lezen in de brieven van Paulus ook intellectuele en rijke mensen niet. Vanaf het einde van de tweede eeuw neemt het aantal van deze laatsten zeer snel toe.
Rond 250 had het Christendom reeds zo een ruime en vaste verspreiding dat de zwaarste vervolgingen het niet meer konden uitroeien.
In het begin van de vierde eeuw moet het aantal Christenen reeds 7 miljoen op het totaal van 50 miljoen inwoners in het Romeinse Rijk geweest zijn.

De oorzaken van snelle en brede verspreiding van het Christendom.

Tot de oorzaken die bijgedragen hebben moeten wij rekenen de dingen die hierboven gezegd zijn over de voorbereiding op de komst van Christus:

1. het verval van de antieke religie,
2. het zoeken naar religieuze vervangmiddelen, (ev. met eschatologisch perspectief)
3. de neiging naar monotheïsme,
4. het verlangen naar universaliteit bv. in moraal,
5. de verspreiding van de Griekse taal en filosofie en het feit dat het denken daardoor een zekere fundamentele eenheid had.[3]
Het universalisme in de moraal van de Kerk sloot aan bij het gevoelen ontstaan door de eenwording en consolidering van het Romeinse Rijk. Het uitte zich bv. in het doorbreken van de Grieks-Romeinse moraal bv. aandacht voor armen en slaven, afwijzen van de cultus van het geld, erkenning van de waarde van de maagdelijkheid, verdediging van de waarde van de vrouw en van het huwelijk (m.n. onontbindbaarheid en monogamie) enz. .

De universele moraal van het Christendom ligt in het verlengde van wat het natuurlijke geweten reeds leert (vgl. Rom. 2,12-16.19-22). De inwoners van het Romeinse Rijk voelden zich in die tijd wereldburgers en stonden zo open voor de universele claim van het Christendom. Immers het Christendom beperkte zich niet tot een bepaalde groep of tot een bepaald volk. Het richtte zich tot de hele wereld met een universele boodschap. Er bestond een verlangen naar universaliteit, zo verwachten sommigen een redder. Bv. de keizer werd ook κυριος-σωτηρ (heer-redder) genoemd.
Waarschijnlijk komt haar grootste kracht uit de macht en de aantrekkingskracht van de waarheid, en de continuïteit van de geopenbaarde waarheid met het getuigenis van het natuurlijke geweten en de natuurlijk religies. Het evangelie overstijgt daarbij nog alle wereldse wijsheid en kan beter dan eender welke andere opvatting alle vragen omtrent God, onsterfelijkheid van de ziel, het doel van het leven en aangaande de mens beantwoorden.
Ook de zedelijke ernst, het evangelie van liefde enz., de heiligheid, een geloof dat gebaseerd was op gezag en op het verstand, de boodschap van het nieuwe volk van God en de vervulling van de voorspellingen uit het O.T. oefenden een grote aantrekkingskracht uit. Zo leerde het Christendom in tegenstelling tot de religies en moraal van die tijd absolute trouw in het huwelijk. Hetgeen m.n. voor de vrouw een vooruitgang was.
Daarnaast mogen wij de geloofsijver en enthousiasme van de eerste Christenen niet onderschatten. Niet alleen hun verkondiging, maar hun levenswijze waren al voldoende om een enorme aantrekkingskracht uit te oefenen op hun omgeving (hiervan getuigen bv. ook heidense schrijvers zoals Plinius de jongere, Celsus, Galenus, Keizer Julianus). Hun zedelijk leven, de kuisheid, de broederliefde en hun liefdadigheid spraken velen aan.
Het vermoedelijk meest doorslaggevende motief ten gunste van het Christendom was waarschijnlijk de standvastigheid van de Christenen in de vervolgingen en martelingen.
Bv. Tertullianus zei hierover: "het bloed van de martelaren is het zaad van de Christenen" (Apologeticus 50,13) en: "'Kijk', zeggen zij 'hoe zij elkaar liefhebben' (want zij haten mekaar); 'en hoe ze bereid zijn om voor elkaar te sterven' (want zij zijn eerder bereid om mekaar te doden)".

Een andere heel belangrijke reden is het feit dat het Christendom de charitas beoefende, de liefde tussen de Christenen onderling en hun zorg voor kleinen en zwakken, zonder onderscheid. Zij zorgden voor weduwen, wezen, begroeven doden (ook bv. kinderlijkjes die zij langs de weg vonden) en zetten zich in voor allerlei mensen in nood. Denken wij aan het feit dat zij de gastvrijheid beoefenden en zorg droegen voor hun doden.

Ook al was er geen duidelijke Christelijke emancipatiebeweging voor slaven en vrouwen. Toch werd hun positie wezenlijk verbeterd door het scheppingsgeloof waarin alle mensen wezenlijk gelijk zijn. De Christenen zetten zich ook in voor het vrijkopen van slaven, bijzonder van hen die in een moeilijke situatie verkeerden. Alle Christenen waren gelijk. Zo was paus Callistus (217-222) een vrijgelaten slaaf.

Zeker niet onbelangrijk is dat het Christendom een duidelijk eschatologisch perspectief heeft. Allereerst leert het als allereerste (later door andere opvattingen gekopieerd) een persoonlijk verderleven na de dood, een opstanding uit de doden en een oordeel over het leven. Het leert ook dat de wereld als zodanig uiteindelijk in Gods hand ligt en biedt daarmee een totaal nieuwe kijk op de mens en de wereld. Het Christendom leert een lineaire geschiedenis en leert daarmee dat de wereld een positieve betekenis heeft en de plaats is waar men zich dient in te zetten om mee te werken met Gods plan. Het geeft daarmee een duidelijk doel aan het menselijke bestaan.

Het Christendom neemt in de loop van de eerste eeuwen de positieve elementen van de cultuur en denken van de oudheid over en sluit daarbij aan. Het Christendom komt ook met duidelijk nieuwe dingen die de mensen die gewoon zijn naar hun geweten te luisteren dadelijk herkennen als in overeenstemming met hun natuurlijk geweten en verlangens, zoals de aandacht voor armen, de afwijzing van de cultus van het geld, de verdediging van de vrouw en haar rechten, de waardigheid van huwelijk, de waarde van de maagdelijkheid, enz. Het Christendom onderlijnt de waarde van iedere persoon en biedt vervulling aan het menselijk verlangen naar verlossing en naar eeuwige dingen.

Een ding mag ook niet vergeten worden, nl. dat het Christendom niet zo maar een verzameling van mensen is. Vanaf het begin was er een duidelijke structuur, een hiërarchie, en werd er ook toezicht gehouden op de leer, moraal, liturgie van de groep. Deze structuur is uiteraard onontbeerlijk om een geopenbaard geloof met een duidelijke inhoud en ermee samenhangende moraal uit te kunnen dragen.[4]
Ook al menen wij een aantal redenen te kunnen opsommen toch mogen wij ons niet blindstaren op de menselijke redenen wij menen te ontdekken. Uiteindelijk is de verspreiding van het geloof, de standvastigheid van de martelaren e.d. een werking van Gods genade. Het is in feite ongelooflijk dat de wereld in minder dan tien generaties veroverd werd door het getuigenis van de individuele Christen.

Moeilijkheden bij de verspreiding. De oorzaken van de vervolgingen.

De gebeurtenissen tijdens de verkondiging van Jezus zelf maken duidelijk dat vervolging een deel is van Zijn optreden en lijkt al aan te kondigen dat dit ook voor Zijn volgelingen zal gelden. Tijdens zijn optreden wijst de Heer er al op: "Ik zend U als schapen tussen wolven" (Mt. 10,16); "zalig zij die vervolgd worden ... om Mijnentwil" (Mt. 5,10-12) Dit ligt in het verlengde van de vervolging van de profeten in het O.T. .
Zoals Paulus zei (1 Kor. 1,23) was de verkondiging van de gekruisigde Christus voor Joden een aanstoot en voor heidenen een dwaasheid.
In de oudheid was de godsdienst niet iets privé. Het was iets dat het gezin, de maatschappij en de cultuur omvatte. De Romeinse staat hield haar polytheïsme in leven. De goden van de onderworpen volkeren werden in dit pantheon ook opgenomen.
Het monotheïstische Jodendom kon zich daar niet bij aansluiten, maar omdat het ook vooral als een nationaal geloof gezien en beleefd werd, werd het geduld in de Romeinse staat. M.n. ook omdat het aantal proselieten verwaarloosbaar klein was.
Het Christendom was anders, het was nieuw, niet nationaal maar duidelijk universeel gericht. Het was op geen enkele manier te verenigen met het officiële polytheïsme van de staatsgodsdienst. Velen dachten daarom dat het de antieke staat bedreigde. Dat werd m.n. acuut toen de Christenen weigerden om deel te nemen aan de keizercultus.
Ook weigerden zij bij heidense feesten hun huizen te verlichten en te bekransen en deel te nemen aan een aantal morele uitspattingen van de heidenen, enkele rigoristen (Tertullians en Origines) weigerden zelfs krijgsdienst. Verder vervulden zij hun staatsplichten en baden voor keizer en staat.
Daarbij kwamen nog een aantal verzonnen verhalen over Christus en over de eredienst van de Christenen (die toen de disciplina arcana kende): zoals bloedschande, toverij, aanbidding van de zon of van een ezel. Omdat zij aanvankelijk vaak als een Joodse sekte gezien werden kregen zij ook te maken met het anti-semitisme uit de oudheid.
Hun geloof zonder beelden werd door veel heidenen als een vorm van atheïsme gezien.
Gezien de valse verhalen die over hen in omloop waren en omdat hun geloof de verkoop van bv. afgodsbeelden deed instorten en zo hele groepen van kunstenaars, priesters, waarzeggers enz. werkeloos maakte ontstonden er vervolgingen. In de eerste eeuw onder Nero (54-68: vervolging enkel van 64-68) en onder Domitianus (81-96). M.n. in de loop van de tweede eeuw waren er lokale uitbarstingen van volkswoede. Soms deden ook stadhouders hieraan mee. Vanaf het midden van de derde eeuw nam de staat deel aan deze vervolging, ja, organiseerde ze zelfs.
Daarenboven is iemand die trouw aan Gods geboden leeft een morele aanstoot en een voortdurende aanklacht tegen het geweten van hen die dat niet doen. De haat van het kwade tegen het goede is zeker ook een niet te onderschatten factor.

Voetnoten

  1. Na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem nam het Jodendom maatregelen waardoor het voor Christenen niet meer mogelijk was het woord te voeren in de synagoge. Hierover komt nog een verdere toelichting
  2. De verspreiding in de apostolische tijd is niet het onderwerp van deze cursus.
  3. Vgl. de moeilijkheden om het Christendom te verkondigen aan mensen met een ander denkschema, zoals moslims, boeddhisten.
  4. Hier gaan we even niet in op de diepere aspecten van de overlevering van het geloof.