Martelaarsakte van Justinus

Uit Theowiki

De martelaarsakte van Justinus en zijn zeven gezellen

1,1

Ten[1] tijde van de wetteloze verordeningen inzake de afgodenverering werden de voornoemde heiligen gearresteerd en voor de stadsprefect van Rome, Rusticus, geleid.[2]

2,1

  • Toen zij voorgeleid waren, zei de prefect tot Justinus: "Wat voor leven leidt U?"
  • Justinus zei: "Een leven dat in de ogen van niemand berisping verdient of afkeurenswaardig is."
  • De prefect Rusticus zei: "Met wat voor leerstellingen (λογοι) houdt U zich bezig?"
  • Justinus zei: "Van alle leerstellingen poogde ik kennis te nemen, maar ik heb me aangesloten bij de ware leerstellingen van de Christenen, ook al bevallen die de aanhangers van onware opvattingen misschien niet."
  • De prefect Rusticus zei: "Die leerstellingen bevallen U dus?"
  • Justinus zei: "Ja, want ik sluit me er uit overtuiging bij aan."
  • De prefect Rusticus zei: "Wat is dat voor een overtuiging?"
  • Justinus zei: "De overtuiging die ons eerbied doet bewijzen aan de God van de Christenen, van wie wij geloven dat Hij als enige der goden in het begin de hele kosmos heeft geschapen, en aan Gods Zoon Jezus Christus, over wie reeds van tevoren door de profeten verkondigd werd dat Hij de mensheid zou komen bijstaan als de heraut van het heil en de leermeester van mooie leerstukken. Ik spreek povere taal vergeleken met Zijn godheid, een bijzonder profetische kracht erkennende in hetgeen tevoren verkondigd is over hem, van wie ik zojuist zei dat hij Gods Zoon is. U moet namelijk weten dat de profeten van oudsher voorspellingen hebben gedaan omtrent Christus' komst onder de mensen, die inderdaad heeft plaats gevonden."

3,1

  • De prefect Rusticus zei: "Waar komen jullie samen?"[3]
  • Justinus zei: "Daar waar ieder het verkiest en de mogelijkheid bestaat. Denkt u trouwens werkelijk dat wij allemaal op één en dezelfde plaats kunnen samenkomen?"
  • De prefect Rusticus zei: "Vertel me, waar of op welke plaats komen jullie samen?"
  • Justinus zei: "Persoonlijk huis ik boven ...[4] en gedurende de hele tijd (en ik woon nu voor de tweeee keer in Rome) ken ik geen andere plaats van samenkomst behalve die. Iedereen die me wilde bezoeken, onderrichtte ik in de leer(stellingen) van de waarheid."
  • Rusticus zei: "U bent dus Christen?"
  • Justinus antwoordde: "Ja, ik ben Christen."

4,1

  • De prefect Rusticus zei tot Chariton: "Chariton, bent U ook Christen?"
  • Chariton zei: "Ja, op Gods bevel."
  • De prefect Rusticus zei tot Charito: "Wat hebt U te zeggen, Chariton?"
  • Charito zei: "Ik ben Christin dank zij Gods gave."3De prefect Rusticus zei tot Euelpistus: "Wie bent U?"
  • Euelpistus zei: "Ook ik ben Christen en deelgenoot in dezelfde hoop."[5]
  • De prefect Rusticus zei tot Hiërax: "Bent U Christen?"
  • Hiërax zei: "Ja, ik ben Christen en ik aanbid dezelfde God."
  • De prefect Rusticus zei: "Heeft Justinus jullie tot Christenen gemaakt?"
  • Hiërax zei: "Ik was allang Christen."
  • Paeon stond op en zei: "Ook ik ben Christen."
  • Rusticus zei: "Wie heeft U onderwezen?"
  • Paeon zei: "Wij hebben het van onze ouders ontvangen."
  • Euelpistus zei: "Justinus' woorden hoorde ik graag, maar van mijn ouders heb ik meegekregen Christen te zijn."
  • Rusticus zei: "Waar zijn Uw ouders?"
  • Euelpistus zei: "In Cappadocië."
  • De prefect Rusticus zei tegen Hiërax: "Waar zijn Uw ouders?"
  • Hiërax zei: "Ze zijn overleden, en ik ben lang geleden uit Frygië verhuisd."
  • De prefect Rusticus zei tot Liberianus: "U bent toch ook geen Christen?"
  • Liberianus: "Ook ik ben een toegewijd Christen.

5,1

  • De prefect zei tegen Justinus: "Indien U gegeseld wordt en daarna onthoofd, bent U er dan nog van overtuigd dat U naar de hemel zult opstijgen?"
  • Justinus zei: "Ik hoop daarop op grond van mijn volharding, zo ik volhard; ik weet dat ook voor hen die op de juiste manier geleefd hebben de goddelijke genadegave te wachten ligt tot aan de wereldbrand."[6]
  • De prefect Rusticus zei: "U veronderstelt dus van uit U zult opstijgen?"
  • Justinus zei: "Ik veronderstel dat niet alleen, maar ik ben er volledig van overtuigd."
  • De prefect Rusticus zei: "Als jullie niet gehoorzamen, zullen jullie gestraft worden."
  • Justinus zei: "Wij bidden om door deze straf behouden te worden."
  • De prefect Rusticus kondigde zijn besluit af: "Zij die niet willen offeren aan de goden, moeten worden gegeseld en daarna weggevoerd om terechtgesteld te worden in overeenstemming met de wetten."

6,1

  • De heilige martelaren kwamen God verheerlijkende naar de gebruikelijke plaats, waar ze hun martelaarschap voltooiden in de belijdenis van onze Zaligmaker, aan wie de glorie en de kracht zij met de Vader en de Heilige Geest nu en tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.[7]

Voetnoten

  1. Deze vertaling is vrijwel volledig die van J.N. Bremmer en J. den Boeft, Martelaren van de oude Kerk, bewaarde documenten van de Christenvervolging tot ca 300 na Christus, Kampen, Kok, 1988, 28-31. Het is grotendeels de vertaling van versie A. Wij gaan hier niet in op tekstkritische problemen.
  2. Evenals het slot van deze tekst is deze passage afkomstig van een latere redacteur, getuige de vage tijdsaanduiding aan het begin, die erop wijst dat de betekenis van het chronologische gegeven in de tekst van het verhoor, te weten de stadsprefectuur van Rusticus, de opsteller ontging. Q. Junius Rusticus was consul in 162 en werd wellicht direct na afloop van zijn ambtstermijn stadsprefect, een functie die hij tot ongeveer 168 bekleedde. Justinus' marteldood vond dus plaats in de eerste jaren van het bewind van keizer Marcus Aurelius (161-180).
  3. De autoriteiten zijn uit op precieze informaties omtrent de christelijke gemeenschap.
  4. Helaas is de tekst hier corrupt, zodat de plaats van Justinus' verblijf onbekend is.
  5. Chariton en Euelpistus maken in hun toelichting een toespeling op de letterlijke betekenis van hun namen: χαρις betekent onder meer "gunst", "genade", ἐυελπιστια betekent "goede hoop", "vertrouwen" .
  6. Dat de wereld door een grote brand zal vergaan, werd m.n. door de Stoïcijnen aangehangen. In een passage van zijn eerste Apologie (20.4) wijst Justinus zelf op deze parallel met christelijke opvattingen.
  7. Ook dit laatste is een toevoeging van een redacteur.