De toegang tot de historische Jezus (bijbelse kritiek).

Uit Theowiki


Van deze les bestaat geen diaserie.

1 Inleiding.

Het toepassen van de literaire en historische kritiek op de Schrift dateert al vanaf de tweede eeuw. Deze zogenaamde bijbelse kritiek houdt zich bezig met de tekst zelf.
In feite zijn er vijf grote periodes te onderscheiden:

*1. de klassieke pre-kritisch fase vanaf Ireneüs (cf. Lk. 1,1-4)

  • 2. de Leben-Jesu-Forschung (vanaf Reimarus)
  • 3. ee Jezus van het kerygma (vanaf Bultmann; Formgeschichte)
  • 4. ee reactie op Bultmann
  • 5. de nieuwe hermeneutiek.

2 De pre-kritische fase.

In de eerste eeuwen waren de fundamentele problemen in de omgang met de Schrift de verhouding O.T.-N.T. en de vraag naar de preciese omvang en inhoud van de Schrift. De invloedrijke hereticus Marcion (ca 150) verwierp nl. grote delen van het O.T. en ontjudaïseerde het N.T. .
In het algemeen is de benadering van de Schrift vanaf die tijd tot in de 18de eeuw als a- of pre-kritisch te omschrijven.

3 De fase van de radicale kritiek.

3.1 De ommekeer in de 18de eeuw.

In de 18de eeuw, de tijd van rationalisme en Verlichting, ging men steeds meer onderdelen van het menselijk denken en leven wetenschappelijk onderzoeken. Men ging ook de geschiedenis wetenschappelijk benaderen. Zo kwam men tot een wetenschappelijke benadering van de bijbelse geschiedenis, zo werd de “historische kritiek” van de Bijbel geboren.

Richard Simon (1638-1712) een Franse oratoriaan is de vader van de historisch-kritische methode. Hij ontwikkeld die voor de studie van het O.T. en paste ze daarna ook toe op het N.T.[1] Hij wees op de doubletten, de verschillen in inhoud en de verschillen in stijl die men kan constateren in de Pentateuch. Het toeschrijven van de gehele tekst aan Mozes als enige auteur vond hij moeilijk te rijmen met deze feiten.

In Duitsland is Hermann Samuel Reimarus (1694-1768) een sleutelfiguur in de historische bijbelkritiek. In 1778 publiceerde G. E. Lessing (1729-1781) postuum uittreksels van zijn Von dem Zweck Jesu und seinen Jünger. Dit werk maakte een duidelijk onderscheid tussen de historische Jezus (die enkel een politiek doel zou hebben gehad, nl. de bevrijding van het Joodse volk) en de Jezus die door de Kerk verkondigd wordt. Reimarus schreef bv. dat de verrijzenis van Jezus terugging op de leerlingen die zijn lichaam gestolen hadden. Reimarus was diep beïnvloed door het Engelse deïsme, hij was een rationalist die het bovennatuurlijke verwierp. Vanuit deze vooronderstellingen kwam hij tot zijn visie op de historische Jezus.

3.2 De 19de eeuw. Het tijdperk vóór Bultmann. (De Leben-Jesu Forschung)

In de 19de eeuw ging de studie van het N.T. twee wegen:

(1) de historische kritiek: onderzoek naar de historische waarde van het N.T.;

(2) de theologische kritiek: de betekenis van het N.T. M.n. de protestantse universiteit van Tübingen heeft in dit tijd een grote invloed op de interpretatie van het N.T.

  • 1. Ferdinand Christian Baur (1792-1860) was de onbetwiste leider van de historische of jongere (protestantse) Tübinger-Schule. Een van zijn bekendste werk is Die kanonischen Evangelien kritisch untersucht, 1847. Hij probeerde de N.T.-ische kritiek op een wetenschappelijk niveau te brengen. Hij was een Hegeliaan en daarom zag hij de geschiedenis van de jonge Kerk van 40-160 als een strijd volgens het dialectische schema: het was een strijd tussen het Joodse legalisme (these) van Petrus (Mt.) en het Paulijns “liberalisme” (antithese) (Lc. tussen 110-180). De synthese is dan het N.T. (Mc., eind 2e eeuw) en zijn theologie. Baurs invloed op de late datering van het N.T. is enorm. Hij accepteerde slechts enkele brieven van Paulus als authentiek (Rom.; 1 en 2 Kor.; Gal.) en dat waren de enige teksten volgens hem van vóór 70. Zijn strikte toepassing van hegeliaanse principes en het overaccentueren van de Joodse invloed in het vroege Christendom geven de beperktheid van zijn visie aan.
  • 2. David Friedrich Strauss (1808-74), een leerling van Baur, publiceerde in 1835 Das Leben Jesu, kritisch bearbeitet. Hij geeft een radicale interpretatie van de evangelies: het leven van Jezus is een pure mythe, zij het dat ze gebaseerd is op een historische figuur. Ook hij volgt een hegeliaans schema: these: een bovennatuurlijke wereldvisie (God werkt wonderen in de schepping, d.w.z. de Bijbel); antithese: een rationalistische wereldvisie (wonderen bestaan niet); synthese: de mythos. In de dialectiek van supernaturalisme en rationalisme ontplooien zich religieuze ideeën: mythes, als pogingen om de wereld en de mens beter te verstaan, zonder verdere betekenis. Hij introduceerde naast Mythe het begrip Gattung [=(literair) genre]. Zijn opvolger Bruno Bauer (1809-82) ging nog een stap verder in zijn Kritik der Synoptiker (1841) en liet het historische fundament weg en maakte daardoor het leven van Jezus tot een pure mythe.[2] Hij heeft een Religionsgeschichtliche benadering van de evangelies, d.w.z. zeggen hij kijkt naar zogenaamde parallellen uit andere godsdiensten.[3] In zijn voetspoor liet Ernest Renan (1823-92), leerling van D.F. Strauss, in zijn Vie de Jésus (1863) alles wat bovennatuurlijk was weg en presenteerde een puur menselijke Jezus.
  • 3. Martin Kähler (1835-1912) publiceerde in 1892Der sogenannte historische Jezus und der geschichtliche, biblische Christus. Van hem stamt het onderscheid tussen “historisch” en “geschichtlich”. “Historisch” staat om zo te zeggen voor de naakte feiten. “Geschichtlich” staat voor de betekenis die in de feiten ligt en die een permanent belang heeft. Kähler maakt een onderscheid tussen de historische en de geschichtliche Jezus. Deze laatste is volgens hem de Jezus die verkondigd werd door de jonge Kerk. Kähler overwon het standpunt van de hypocriete zoektocht naar de historische Jezus en leerde het getuigeniskarakter van het N.T. . Kähler (in het voetspoor van Johann Evangelista Kuhn) heeft duidelijk gemaakt dat het historische in de verkondiging over Jezus onlosmakelijk verbonden is met de verkondiging van de verheerlijkte Christus.
  • 4. William Wrede (1859-1906) reageerde tegen de liberale kritiek. In 1901 schreef hij Das Messiasgeheimnis in den Evangelien, zugleich ein Beitrag zum Verständnis des Markusevangeliums. Gebruikmakend van de liberale methode toonde hij het onwetenschappelijk karakter van het liberale Jezus-beeld aan. Wredes these is dat de historische Jezus zich nooit als Messias beschouwde (“Hij wist het gewoon niet”) maar dat de leerlingen na de verrijzenis zich realiseerden dat Hij wel degelijk de Messias was. De leerlingen hebben vervolgens Zijn geschiedenis herlezen en geïnterpreteerd als een messiaans gebeuren. Het zogenaamde messiasgeheim is volgens hem gecreëerd door de jonge Christengemeente. Van hen nam Markus deze gedachte over. Wrede gaf de genadeslag aan het naïeve en optimistisch liberale onderzoek naar de historische Jezus. Volgens hem had bv. Markus niet de minste interesse in de geschiedenis.
  • 5. Albert Schweitzer (1875-1965) schreef in 1901 een studie over het, door Wrede in de belangstelling gebrachte, messias-geheim: Das Messianitäts- und Leidensgeheimnis. Hij verdedigde de historiciteit van het messiasgeheim dat op Jezus zelf teruggaat. In zijn bekendste werk Von Reimarus zu Wrede: Geschichte der Leben-Jesu-Forschung (1906)[4] onderlijnde Schweitzer (in de lijn van J. Weiss) het eschatologisch en apocalyptisch element in het leven en de leer van Jezus. Jezus was een heroïsche figuur, een nobel maar ontgoocheld man die ervan overtuigd was dat Hij de Messias was. Hij verkondigde een apocalyptische boodschap over het onmiddellijke einde van de wereld. Alhoewel Schweitzer weinig navolging had was m.n. de nadruk op de apocalyptische achtergrond van Jezus' boodschap nieuw. Schweitzers werk gaat de weg van de fantasie en het humanisme en voert weg van de H. Schrift en de Kerk. Hij reduceert het Christendom tot een soort moralisme. Zijn visie kan men omschrijven als een psychologisch lezen van Jezus.

In dit korte overzicht ziet men reeds hoezeer de benadering van Jezus de voorafgaande filosofische en theologische uitgangspunten van de auteurs weerspiegelt.

4 Bultmann en de theologie van het kerygma.

De exegetische methode van de Formgeschichte ontstond tussen 1919-22 en heeft de kritische exegese gedomineerd tot bij de opkomst van de Redaktionsgeschichte. De Formgeschichte is ondenkbaar zonder de persoon van Rudolf Bultmann. Bultmann (1884-1976) is één van de meest invloedrijke exegeten in de 20ste eeuw. Hij vertrok van de conclusies van Karl Ludwig Schmidt[5] en Martin Dibelius[6] en paste die toe in Die Geschichte der synoptische Tradition (1921). Hij onderzoekt de geschiedenis van de “Einzelstücke der Tradition”. De Formgeschichte (Bultmann):

  • 1. B. veronderstelt een ruime tijd tussen het Paasgebeuren (dood en de verrijzenis) en de redactie van de evangelies.
  • 2. B. maakt een reconstructie gebaseerd op twee veronderstellingen:
    • de evangelies zijn niet het werk van één man, maar verzamelingen van kleinere (oudere) eenheden
    • de evangelies zijn geen biografieën maar geloofsgetuigenissen (“Im Anfang war die Predigt”).
  • 3. B. voert de meeste inhoud van de traditie terug op de verbeelding van de jonge Kerk. Zij veronderstelt een grote discontinuïteit tussen de historische Jezus en de Christus van het kerygma. Zij probeert een reconstructie van de mondelinge traditie te maken in twee stappen. (1) Door de studie van de Sitz-im-Leben tracht zij de originele kern te vinden van de mondelinge traditie.[7] (2) Zij onderscheidt de Logia of Herrenworte van Jezus en woorden over Jezus (de eerste beschouwt B. als echt) van de rest en tracht zo de kern te vinden. De kern van de wonderverhalen, gelijkenissen, logia enz. in de evangelies zijn enkel paradigma's, d.w.z. verhalende voorbeelden uit de jonge Kerk, gebaseerd op gebeurtenissen van het “Leben Jesu”. Mc. heeft deze stukjes dan aaneengeregen tot een evangelie.
  • 4. B. veronderstelt dat de eerste gemeenten (met hun intenties en behoeften) de bron van het kerygma zijn. Dit is echter duidelijk geen bijbelse kritiek maar een theologisch stellingname. Bultmann stelt de vraag naar hoe deze boodschap in onze tijd verkondigd kan en moet worden. Hij pleit voor een ontmythologisering (Entmythologisierung).
  • Een mythe is voor Bultmann geen imaginair verhaaltje maar het gebruik van de verbeelding om het niet-van-deze-wereld-zijn in termen van deze wereld uit te drukken. M.a.w. een mythe is spreken over een bovennatuurlijke goddelijke wereld in termen van deze tijdelijke wereld.[8]
  • Voor Bultmann is Jezus' verrijzenis noch “historisch” noch “geschichtlich”. Alle wonderen worden door hem als niet relevant voor de moderne mens afgewezen.

Het grote probleem is welk verband is er tussen de historische Jezus en de Jezus van het kerygma? Hier kan zijn methode geen antwoord op geven.

Bultmanns indifferentie t.o.v. de geschiedenis is het gevolg van zijn theologische visie op “geloof” en van zijn historisch scepticisme.

De problemen van Bultmanns visie:

  • Bultmann heeft valse premissen: voor hem is er een tegenstelling tussen de historische Jezus en de Jezus van het kerygma. We kunnen echter opmerken dat ook een historische continuïteit altijd bepaalde veranderingen veronderstelt.
  • voor Bultmann is het stabiele element dat alles verbindt een antropologisch gegeven, nl. het zelfverstaan van de gelovige. In feite is niets meer veranderlijk dan dat.
  • De these dat Paulus en Johannes geen interesse voor de historische Jezus hebben is onhoudbaar.
  • Bultmann insisteert enkel op het Dass, d.w.z. het naakte bestaan van Jezus. Toch moet men zeggen dat het kerygma in wezen ook in de woorden en daden van Jezus te vinden is.
  • Bultmanns visie staat lijnrecht tegenover het feit dat de historische Jezus zelf de norm voor de geldigheid van het N.T. in het N.T. zelf is.
  • Hoe kan de overgang van de Jezus als prediker van het Koninkrijk naar de Jezus die het object van het kerygma is verklaard worden volgens Bultmann?

4.1 De bedoeling van de Formgeschichtliche Schule.

De Formgeschichte presenteert zichzelf als een literaire onderneming. Haar interesse voor het ontstaan, de vorming en de evolutie van de mondelinge tradities, die aan teksten voorafgaan maakt duidelijk dat haar doelstelling ook historisch (en niet uitsluitend literair) is. Eigenlijk wil de Formgeschichte de prehistorie van de evangelies beschrijven. Immers voor de evangelies opgeschreven werden werd de inhoud ervan eerst gepreekt, geactualiseerd, toegepast in verschillende kerkelijke situaties en verschillende Christen-gemeenten.

Dat de methode bij Bultmann tot scepticisme geleid heeft is geen noodzakelijk gevolg van de methode maar het gevolg van Bultmanns uitgangspunten. Op sociologisch vlak: zijn visie op de eerste gemeente, als een groep zonder duidelijke leiding die een enorm scheppend vermogen had; op filosofisch vlak: zijn rationalisme: het verwerpen van de mogelijkheid van een goddelijk ingrijpen in de geschiedenis; op theologisch vlak: zijn visie van geloof.

4.2 De verdiensten van de Formgeschichte.

De instructie Sancta Mater Ecclesia uit 1964 van Bijbelcommissie nodigt exegeten uit tot een gebruik van de positieve elementen van de Formgeschichte[9]:

  • 1. de FG heeft m.n. het belang van de mondelinge traditie geleerd (“in het begin was het kerygma”).
  • 2. de FG leerde (m.n. Dibelius) dat de evangelies soms inconsistent zijn wat betreft aanduidingen van tijd en plaats. Dit wijst erop dat hun opzet vaak eerder redactioneel dan historisch is.
  • 3. De originaliteit van de FG bestaat erin dat zij haar kritiek niet enkel toepast op het literair genre “evangelie” maar ook op de onderdelen ervan. Zij bestudeert minder de persoonlijke inbreng van de auteur dan die van de gemeente.
  • 4. De FG helpt om jonge Kerk beter te begrijpen. Zij heeft als uitgangspunt: elke typische literaire vorm komt uit een bepaald milieu. (Dit uitgangspunt moet uiteraard met grote voorzichtigheid gehanteerd worden.)

4.3 De zwakke punten van de Formgeschichte.

  • 1. De FG overschat het creatief vermogen van de eerste gemeenten.
  • 2. De FG vergeet dat de eerste gemeenten niet zonder structuur waren en ook niet uit anonieme individuen bestonden, maar ook leiders hadden. Het sociologische milieu van de gemeente (d.w.z. externe activiteiten) wordt overgewaardeerd.
  • 3. De FG overschat de literaire criteria ten koste van de historische.
  • 4. De FG onderbelicht Jezus als reële en historische bron. Er is een grote breuk tussen Jezus en de Christus, tussen de pre- en de post-paschale gemeente.
  • 5. De FG onderschat het belang en de rol van de personen van de evangelisten.
  • 6. De FG onderschat de historische criteria.

Veel ideeën van de Formgeschichte zijn terug te voeren op de gevolgde vooronderstelling (onkritische uitgangspunten, Vorverständnis) zoals hun scepsis t.o.v. de incarnatie en het bovennatuurlijke.

5 De periode van reactie.

De volgende periode wordt ook wel genoemd “The New Quest” naar de titel van het boek van J.M. Robinson, A New Quest for the Historical Jesus, 1959. Hiertoe behoren Käsemann, Bornkamm, Fuchs, H. Conzelmann.

5.1 Ernst Käsemann.

Een nieuwe periode en methode van onderzoek brak aan 1953 met een toespraak door Bultmanns leerling Ernst Käsemann (1906- ) op een conferentie te Jugenheim voor “oud-Marburgers”, d.w.z. Bultmannianen. Zijn toespraak werd gepubliceerd onder de titel “Das Problem des historischen Jesus”.[10] Käsemann wijst op drie belangrijke dingen:

  • 1. Als er geen band is tussen de verheerlijkte Heer van het Christelijk geloof en de historische Jezus dan is het Christendom een onhistorische mythe.
  • 2. Als de oerkerk zo ongeïnteresseerd was in de historische Jezus waarom heeft ze dan de Evangeliën nog geschreven na de brieven van Paulus? De evangelisten zijn er zelf zeker van dat de Jezus die zij beschrijven wel degelijk de historische Jezus is.
  • 3. Ook al zijn de evangelies een produkt van het Paasgeloof en is het daardoor moeilijk de historische Jezus te vinden toch vereist het Christelijk geloof de identiteit tussen de aardse Jezus en de verrezen Heer.

Als methode om de historische Jezus te vinden geeft Käsemann aan:

  • alles uit Evangelies verwijderen wat een kerygmatische toon heeft. Deze laatste uitspraken hoeven niet onhistorisch te zijn maar ze kunnen niet zonder meer als authentiek beschouwd worden.
  • alles uitsluiten waarvan parallellen in het Judaïsme van die tijd te vinden zijn, zoals in de rabbijnse tradities en Joodse apokalyptiek.
  • een authentieke uitspraak van Jezus moet Aramese kenmerken vertonen.

5.2 Joachim Jeremias.

In 1960 verscheen Jeremias' Das Problem des historischen Jesus. Jeremias kent de werken van de FG zeer goed. Hij verwijt Bultmann dat hij het Christendom beroofd heeft van zijn essentie, nl. de incarnatie. Bultmann heeft de idee van de Christus in plaats gesteld van de historische Jezus. Jeremias pleit voor een terugkeer naar de historische Jezus en dat is volgens hem mogelijk via de geschriften enz. die wij over Hem hebben. Jeremias is m.n. bekend vanwege zijn pogingen om vanuit de Griekse tekst van het N.T. de Aramese “ipsissima verba Christi” te reconstrueren.

5.3 G. Bornkamm.

Bornkamms boek Jesus von Nazareth, 1956 is het eerste resultaat van de nieuwe weg die ingeslagen werd door Käsemann en door E. Fuchs.[11]

5.4 H. Conzelmann. (1915-89)

5.5 De vroege katholieke reactie.

Tot aan het begin van de 20ste eeuw had de bijbelse kritiek nauwelijks invloed op katholieke theologen en onderzoekers. Men keek zeer kritisch naar de werken van Strauss en Baur. Pas in 1943 werd de waarde van de kritische exegese officieel erkend door Pius XII.
De grootste katholieke exegeet uit deze tijd is zeker Marie-Joseph Lagrange O.P. (1855-1938). Hij was een specialist van het O.T. In 1890 stichtte hij de Ecole pratique d'études bibliques (kort: Ecole Biblique) in Jeruzalem om de bijbelstudie te stimuleren. De Bijbel werd niet enkel bestudeerd als een door God geïnspireerde tekst maar ook als een literair werk dat met behulp van de historisch-kritische methode geanalyseerd moest worden. In 1892 stichtte hij het eerste prominente katholieke blad voor bijbelstudie, de Revue Biblique. In 1902 startte hij een serie van bijbelcommentaren: Etudes bibliques, die zich zowel op doctrineel als op historisch-wetenschappelijk vlak begaven. Zijn grootste verdienste is wel dat hij aantoonde dat de historisch-kritische methode niet noodzakelijk in strijd met het geloof is en dat hij de katholieke exegese aanzien en zelfbewustzijn gaf.[12] Een andere sleutelfiguur is Alfred Loisy (1857-1940). Hij doceerde aan het Institut Catholique te Parijs (1884-1893). Zijn bekendste werk is het zogenaamde “rode boekje” (naar de kleur van de kaft) L'évangile et l'église (1902). Dit boekje was een antwoord op A. Harnacks Das Wesen des Christentums. Hierin ging hij een kritische confrontatie aan met Harnack op vijf punten: het rijk der hemelen, de Zoon van God, de kerk, het dogma en de eredienst. Loisy beweerde dat de Kerk zoals ze nu is niet door Christus gesticht was.[13] Ook al past de Kerk in het plan van God toch had Jezus ze niet voorzien. In twee latere werken Le Quatrième Evangile (1903) en Les Evangiles Synoptiques (1908) maakt Loisy een onderscheid tussen de historische Jezus, die niet wist dat Hij de Zoon van God was, en de Christus van het geloof. Hij plaatste de jonge Kerk als een scherm tussen de gelovige en het historische feit.
De evolutie van Loisy's persoonlijke geloofsovertuiging is niet gemakkelijk na te gaan. In elk geval eindigde hij ongelukkig als modernist.

5.6 Conclusie.

De post-bultmannianen gaan accoord over een aantal punten:

1- het is onmogelijk terug te keren naar een historisch onderzoek in de zin van de liberale theologie van de Leben-Jesu-Forschung.
2- er is een historische én een theologische continuïteit tussen de historische Jezus en de Jezus van het kerygma.
3- men onderlijnt m.n. de overeenkomsten tussen de historische Jezus en het kerygma van de Kerk.

4- men wijst op het belang van het kerygma voor onze tijd.

Het laatste punt dat hier aangehaald is wordt m.n. uitgewerkt door de zogenaamde “nieuwe hermeneutiek”.

6 Andere benaderingen.

Voor een overzicht en bespreking van een aantal andere en nieuwe methodes van hermeneutiek verwijzen we naar het stuk van de Pauselijke Bijbelcommissie van 2 januari 1994: “De interpretatie van de Bijbel in de Kerk”.

7 De generatie van de theologen.

Een reactie op Bultmanns denken vinden wij ook bij een hele generatie van theologen: bv. W. Pannenberg, O. Cullmann, Moltmann, W. Kasper, Alfaro, E. Schillebeeckx, Duquoc, J. Galot, Bouyer, Schoonenberg. Ook bij hen krijgt de vraag naar de historische Jezus meer aandacht dan voorheen bij de oude Bultmann en oude Barth.

7.1 De christologie bij protestantse theologen.

  • 1. Wolfhart Pannenberg, Offenbarung als Geschichte (1961).

De Openbaring van God gebeurt indirect via de historische gebeurtenissen. De geschiedenis moet zich in haar geheel ontvouwen opdat de Openbaring van God kenbaar en gekend kan zijn. Tevens is de verrijzenis van Jezus een geanticipeerde uitdrukking van het einde van deze geschiedenis. Jezus Christus wordt de hermeneutische sleutel voor het verstaan van de geschiedenis als openbaring van God. Dus: elke Christologie moet beginnen bij Jezus. Het is niet alleen nodig maar ook noodzakelijk om via het (apostolische) kerygma terug te keren naar de historische Jezus. Pannenberg heeft m.n. interesse voor wat de historische Jezus was als fundament van het kerygma.

  • 2. Jürgen Moltmann: Der Gekreusigte Gott (1972).

Het geloof veronderstelt dat de belijdenis van Jezus als de Christus geen illusie maar waarheid is. De centrale vraag van het Christendom is daarom: “wat is de relatie van het primitieve Christendom en de historische Jezus?” Bij het beantwoorden van deze vraag ligt er een dubbele taak voor de theologie: (1) kijken naar de waarheid van de belijdenis: Jezus-Christus. Volgens Moltmann is Bultmanns visie gefundeerd op een dogmatische visie van het kerygma en (2) aantonen hoe de belijdenis van Jezus van belang is voor het verstaan van de werkelijkheid vandaag en dat m.n. via de zogenaamde Christologische titels. Beide taken zijn nodig, alleen het een zonder het ander is steriel.

Samengevat:

  • Pannenberg onderlijnt het primaat van de historische realiteit van Jezus van Nazareth boven de interpretaties die eruit volgen.
  • Moltmann verenigt onlosmakelijk het historisch feit en de betekenis die het heeft.

7.2 De christologie bij de katholieke theologen.

  • 1. Walter Kasper, Jezus der Christus (1974).
Kasper ziet geen tegenstelling tussen Jezus en Christus. Het doel van onderzoek is om Jezus te begrijpen in het licht van het kerkelijk geloof en omgekeerd het kerkelijke geloof te interpreteren in het licht van Jezus. Het vertrekpunt van de christologie is de geloofsbelijdenis van de jonge Kerk.
  • 2. Hans Küng, Christ Sein (1974).
Hij wijst op de noodzaak van een terugkeer naar de historische Jezus.
  • 3. Duquoc.
wijst op de band met historie.
  • 4. Edward Schillebeeckx.
We hebben geen toegang tot Jezus tenzij via eerste gemeenten. Aanvaarden dat deze interpretatie waar is is reeds een daad van geloof. Hij geeft criteria voor historische authenticiteit.

8 Conclusies uit dit geschiedenisoverzicht.

  • 1. De methode van de Formgeschichte om het N.T. te zien als het eindpunt van een bepaalde ontwikkeling wordt algemeen aanvaard en toegepast.
  • 2. Het principe van de ontmythologisering wordt overal aanvaard, zij het in verschillende mate en op verschillende wijze.
  • 3. Iedereen geeft toe dat het moeilijk is een beeld van de aardse Jezus te geven
  • 4. De kritiek centreert zich in de laatste jaren m.n. op de existentiële interpretatie van Jezus: zijn betekenis voor de mens.
  • 5. Recente theologen onderlijnen opnieuw de waarde van de heilsgeschiedenis: Cullmann, Pannenberg, Moltmann.
  • 6. De posities van de katholieken benaderen de protestantse visie.

8.1 Het zicht op de evangelies.

  • 1. De evangelies worden gezien als eindpunt van een complexe evolutie.
  • 2. Het is onmogelijk een biografie van Jezus te schrijven in de lijn van de Leben-Jesu-Forschung.
  • 3. De evangelies willen de identiteit tussen Jezus van Nazareth en de Christus aantonen.
  • 4. In de evangelies vinden we verschillende literaire genres.
  • 5. In traditie die tot de evangelies leidde zijn er drie niveaus: Jezus-apostelen-primitieve gemeente.
  • 6. De katholieke exegese geeft niet toe dat de eerste gemeente een creatieve (en bepalende) invloed heeft gehad op het Christus-gebeuren.
  • 7. Het belangrijkste: de historicus die de evangelies bestudeert weet dat hij niet tegenover puur historische bronnen staat maar tegenover gekerygmatiseerde bronnen.

8.2 De kritiek op de klassieke visie van de band tussen Jezus en de evangelies.

Vanaf Ireneüs had men in het spoor van Lk. 1,1-4 het volgende beeld van de traditie van Jezus tot aan de evangelies:

  • a. De gebeurtenissen tijdens leven van Jezus, die hun vervulling vinden bij de geboorte van Kerk.
  • b. er zijn ooggetuigen van al deze gebeurtenissen.
  • c. deze ooggetuigen werden dienaars van het Woord na Pasen
  • d. deze prediking was het begin van mondelinge en geschreven verslagen.
  • e. In het geval van het Lukasevangelie heeft Lukas deze verslagen genomen en verwerkt tot zijn evangelie.

In deze opvatting is er geen afstand tussen de tekst en de gebeurtenis van Jezus. Ook het begrip van getuigenis is erg smal.

8.3 De drie niveaus van de Traditionsgeschichte.

De Traditionsgeschichte onderscheidt drie niveaus in de traditie[14]:

  • (1) Het niveau van feit zelf: het onderricht, de woorden en handelingen van Jezus;
  • (2) de oerkerk na Pasen en
  • (3) de actuele redactie van de evangelies.

9 Voetnoten

  1. Histoire critique du Vieux Testament (1678) en Histoire critique du Nouveau Testament. (1689-92, 3 delen).
  2. Hier is eventueel te wijzen op de filosofische vooronderstellingen die gehouden worden. Hier m.n. het Kantiaanse denken waarin de kennis van het Ding an Sich een probleem is.
  3. B. Bauer en Strauss zijn duidelijke volgelingen van Hegel. Zij volgen nog niet de anthropologische “wending” van Feuerbach. Zie in de les over het atheïsme.
  4. In de tweede uitgebreide editie van 1913 heette het kortweg: Geschichte der Leben-Jesu-Forschung.
  5. Karl Ludwig Schmidt (prot. 1891-1956) volgde met zijn Der Rahmen der Geschichte Jesu. Literarkritische Untersuchungen zur antiken Jesusüberlieferung (Berlin, 1919) W. Wrede en Hermann Gunkel. Wrede leerde het messiasgeheim van Jezus. Alhoewel deze lijn van het messiasgeheim geen oplossing brengt bracht ze Schmidt toch op het idee om te onderzoeken hoe de vier evangelies, wat betreft hun opbouw/kader, bepaald worden door een specifiek theologisch concept en niet door het historische verloop van Jezus' leven. H. Gunkels (1862-1932) artikel “Gattung” in 1906/7 waarin hij de stijlkritische methode toepast op het O.T. en m.n. op de psalmen, die hij indeelde volgens hun genre (Gattung) om daaruit conclusies te trekken over hun Sitz im Leben (1917) bracht Schmidt op het idee over de Sitz im Leben van de evangelies na te denken. Schmidt stelde dat de grondslag van de vier evangelies in elk geval niet het “Leben Jesu” of biografie van Jezus is, maar wel een bepaalde theologische visie. Kortom: alles is verkondiging. De evangelisten gebruiken “voorgevormd” materiaal. Schmidt bestudeert de literaire genres (Formen) in de evangelies.
  6. Martin Dibelius (prot. 1883-1947) concludeerde in Die Formgeschicht des Evangeliums (1919) dat ook al is het kader van de evangelies niet biografisch toch is er een concept dat de samenhang tussen de pericopen vormt. Hij leerde dat het N.T., dat voortkomt uit het geloof en de verkondiging van de Kerk, geen neutrale berichtgeving kent. Volgens hem kan men nauwelijks onderscheid maken tussen het evangelie van de historische Jezus en het evangelie over Jezus.
  7. "Formen”: het hele Evangelie wordt in Erzählungs- en Redestoff onderverdeeld. Men onderscheidt verschillende genres, al naargelang de verschillende auteurs: bv. Logia (wijsheidsspreuken), profetische en apokalyptische woorden, Ik-woorden, gelijkenissen, wonderen, strijdgesprekken.
  8. Hier moge opgemerkt worden dat Bultmann een beeld van het N.T. schildert als zijnde een tijd waarin de mensen in een soort mythische wereld leefden vol goddelijke personen, duivels, geheimzinnige krachten enz., iets wat niet conform de werkelijkheid is.
  9. Vgl. het stuk van de Bijbelcommissie: De interpretatie van de Bijbel in de Kerk, 2 jan. 1994.
  10. In: Zeitschrift für Theologie und Kirche, 51 (1954), 125-153.
  11. Cf. Robinson, 16v. Vgl. New Jerome, 1142.
  12. Het mag opgemerkt worden dat de Duitse exegese Lagranges werk vrijwel volledig verwaarloosde. Dit was geen oordeel over de kwaliteit van zijn werk maar toont aan dat werken die niet in Duitsland geschreven werden niet serieus genomen werden.
  13. Van hem is de beruchte uitspraak: “Jésus annonçait le Royaume et c'est l'Eglise qui est venue.” blz. 153.
  14. Vgl. de instructie van Sancta Mater Ecclesia van de Bijbelcommissie uit 1964 en Dei Verbum.