Ignatius van Antiochië, Aan de Smyrnaeërs

Uit Theowiki

1 Ignatius van Antiochië, Aan de Smyrnaeërs.

De volgende vertaling is op enkele correcties en modernisering na die van D. Franses, De apostolische vaders, Hilversum, P. Brand, 1941.
Dr. Dionysius Franses OFM (1888-1942). Copyright ervan is verlopen.

Ignatius, ook Theophorus genaamd, aan de kerk van God de Vader en van de welbeminde Jezus Christus, (de kerk) die in ontferming alle genadegave ontving, vervolmaakt in geloof en liefde, van geen genadegave verstoken, God zeer waardig en draagster van het heilige, die te Smyrna in Azië is, in onberispelijke geest en in het woord van God. Mijn beste groeten.

1,1 Ik loof Jezus Christus onze God, die u zoveel wijsheid schonk; want ik heb bemerkt, dat gij volmaakt zijt in ongeschokt geloof, als vastgenageld aan het Kruis van de Heer Jezus Christus met lichaam en ziel en bevestigd in de liefde door het Bloed van Christus, vervuld van vast geloof in onze Heer, Die waarlijk "uit het geslacht van David" is "naar het vlees",[1] Zoon van God krachtens Gods Wil en Almacht, waarachtig geboren uit de Maagd, gedoopt door Johannes, opdat "alle gerechtigheid door Hem zou vervuld worden",[2] 1,2. waarachtig onder Pontius Pilatus en de viervorst Herodes vastgenageld in het vlees om ons, uit Wiens vrucht - Zijn Lijden - wij zijn (voortgekomen), opdat Hij door Zijn Verrijzenis "het afgesproken teken zou geven"[3] aan Zijn heiligen en gelovigen, zowel onder Joden als onder heidenen, "in het éne lichaam van Zijn Kerk".[4]
2. Dat alles toch leed Hij voor ons, opdat wij verlost zouden worden; en Hij heeft waarachtig geleden, zoals Hij ook waarachtig zichzelf heeft opgewekt. (Het is) niet, zoals sommige ongelovigen zeggen, dat Hij in schijn geleden heeft. Het zijn zij zelf die een schijnbestaan lijden. En zoals ze denken, zo zal het hun ook vergaan, daar zij onlichamelijk en duivels zijn.[5] '

3,1. Maar ik weet, dat Hij ook na de Verrijzenis in het vlees was en ik geloof, dat Hij het nu is. 3,2. Toen Hij bij de gezellen van Petrus kwam, sprak Hij tot hen: "Raakt mij aan, betast Mij en ziet, dat Ik geen geest zonder lichaam ben".[6] Aanstonds raakten zij Hem aan en geloofden, daar zij in nauw contact waren gekomen met Zijn vlees en Zijn geest.[7] Daarom dan ook spotten zij met de dood en toonden zich boven de dood verheven. 3,3. Na zijn Verrijzenis at en dronk Hij met hen als een mens van vlees en bloed, hoezeer Hij ook op geestelijke wijze met de Vader verenigd was.

4,1. Hieromtrent vermaan ik u, geliefden, ofschoon ik weet. dat ook gij het aldus gelooft. Maar ik behoed u voor de wilde dieren in mensengedaante, die gij niet slechts niet ontvangen moet, maar zo mogelijk ook niet moet ontmoeten. Gij moet alleen voor hen bidden, zodat zij zich mogen bekeren, wat zeer moeilijk is. Maar Jezus Christus, ons waarachtig leven, heeft de macht daartoe. 4,2. Als dat (de bekering van de ongelovigen) toch in schijn door onze Heer gedaan werd, dan draag ik ook slechts in schijn de boeien. Waarom heb ik mij dan ook overgeleverd aan de dood, aan het vuur, aan het zwaard, aan de wilde dieren? Dicht bij het zwaard is dicht bij God, temidden van de dieren is vlak bij God; doch alleen (als het gebeurt) in de Naam van Jezus Christus. Alles verdraag ik om met Hem mee te lijden, terwijl Hij mij versterkt, die volmaakt mens geworden is.[8]

5,1. Sommige onwetenden loochenen Hem, of liever zij worden door Hem verloochend, daar zij veeleer pleitbezorgers van de dood dan van de waarheid zijn. Zij lieten zich niet overtuigen door de profetieën, noch door de wet van Mozes, en tot nu toe evenmin door het Evangelie, en ook niet door het lijden van ieder van ons. 5,2. Want ook omtrent óns denken ze hetzelfde. Wat toch baat het mij, als iemand mij prijst, maar mijn Heer lastert, door niet te belijden, dat Hij het vlees heeft gedragen? Wie dat niet belijdt, verloochent Hem geheel, terwijl hijzelf de dood draagt. Hun namen nu heb ik gemeend, niet te moeten opschrijven, daar het die van ongelovigen zijn. Het zij mij ook verre, hen te vermelden, zolang zij zich niet bekeren tot het lijden, dat onze verrijzenis is.

6,1 Dat niemand dwale! Ook de hemelse machten en de glorie van de engelen en de zichtbare en onzichtbare heerschappijen - als ze niet zouden geloven in het Bloed van Christus - ook zij zullen geoordeeld worden. "Die het kan vatten, vatte het."[9] Niemand verheffe zich op zijn rang. Het komt helemaal aan op geloof en liefde; daar gaat niets boven. 6,2. Gaat eens na, hoezeer zij, die anders leren omtrent de genade van Jezus Christus, die tot ons is gekomen, vijandig staan tegenover de Wil van God. Om de liefde bekommeren zij zich niet, noch om weduwe of wees, noch om de verdrukte, noch om de geboeide of de losgelatene, noch om de hongerige of dorstige.

7,1 Zij onthouden zich van Eucharistie en gebed, omdat zij niet belijden, dat de Eucharistie het Vlees is van onze Verlosser Jezus Christus, dat (= vlees) om onze zonden heeft geleden en dat de Vader in Zijn goedheid heeft opgewekt. Zij spreken tegen de gave van God en sterven in hun twistzucht. Het ware beter oor hen geweest, te beminnen opdat zij zouden verrijzen. 7,2. Het past u daarom, om u afzijdig te houden van zulke mensen en noch afzonderlijk, noch gemeenschappelijk over hen te spreken, maar te luisteren naar de profeten en vooral naar het Evangelie, waarin ons Zijn lijden is geopenbaard en Zijn verrijzenis volmaakt aangetoond. Vlucht de verdeeldheid als het begin van alle kwaad.

8,1. Gehoorzaamt allen aan de bisschop, zoals Jezus Christus aan de Vader, en aan de priesterschap als aan de Apostelen. Hebt eerbied voor de diakens als voor Gods gebod. Niemand moet iets doen, wat de kerk aangaat, buiten de bisschop om. Die Eucharistieviering moet men voor geldig houden, die onder (leiding van) de bisschop plaats vindt of onder hem, aan wie deze het heeft opgedragen 1) .8,2. Want waar de bisschop zich vertoont, daar moet ook het volk zijn, evenals daar waar Christus Jezus is, ook de Katholieke Kerk is.[10] Zonder de bisschop is het niet geoorloofd te dopen noch het liefdemaal te vieren. Maar wat hem (=de bisschop) goeddunkt, dat is ook aan God welgevallig, opdat al wat er gedaan wordt stevig en deugdelijk zij.

9,1. Overigens is het verstandig, matig te zijn en ons, zolang we nog tijd hebben, tot God te bekeren. Het is goed, God en de bisschop te erkennen. Wie de bisschop eert wordt door God geëerd, wie iets doet buiten weten van de bisschop dient de duivel. 9,2. Moogt gij in alles overvloed van genade hebben, want gij zijt het waardig. In alles hebt gij mij verkwikt, moge Jezus Christus u verkwikken. Zowel bij mijn afwezigheid als tegenwoordigheid hebt gij mij liefde betoond. God moge het u vergelden. Als gij om Hem alles verduurt zult ge Hem deelachtig worden.

10,1. Gij hebt er goed aan gedaan, Philo en Rheus Agathopous, die mij gevolgd zijn, te ontvangen als dienaren van Christus onze God. Zij op hun beurt zeggen de Heer dank voor u, omdat gij hen op alle manieren verkwikt hebt. Niets hiervan zal voor u verloren gaan. 10,2. Mijn geest en mijn boeien zijn een zoenoffer (losgeld) voor u zijn. Gij hebt er geen minachting of schaamte voor getoond. Zo zal ook de volmaakte hoop,[11] Jezus Christus, zich niet over u schamen.

11,1 Uw gebed is doorgedrongen tot de kerk te Antiochië in Syrië, vanwaar ik kom, geboeid met godgevallige banden en u allen begroet -ik die niet waardig ben vandaar te komen- daar ik de geringste onder hen ben. Maar door Gods Wil ben ik waardig bevonden, niet op grond van mijn goed geweten, maar door de genade van God, die ik hoop overvloedig te ontvangen, opdat ik op uw voorbede aan God deelachtig mag worden. 11,2. Opdat uw werk nu volmaakt moge zijn op aarde en in de hemel, past het uw kerk om ter ere van God een godsgezant te kiezen om, wanneer hij in Syrië is gekomen, hen geluk te wensen, omdat zij weer vrede genieten en hun eigen grootheid herwonnen hebben en dat hun eigen lichaam hun terug geschonken is .[12] 11,3. Het lijkt me gepast dat ge iemand van u met een brief zendt, om met hen de rust te verheerlijken die volgens God over hen is gekomen en dat zij (de kerk van Syrië) op uw voorbede de haven[13] bereikt heeft. Daar gij volmaakt zijt, moet ge ook op het volmaakte uw geest richten. Als ge goed wilt handelen, is God bereid het te verlenen.[14]

12,1. U groet de liefde van de broeders in Troas, vanwaar ik u schrijf door bemiddeling van Burrhus, die gij samen met uw broeders uit Smyrna met mij hebt meegezonden. In alles heeft hij mij verkwikt. Mogen allen hem navolgen, want hij is een toonbeeld van goddelijk dienstwerk.[15] De genade zal hem alles vergelden. 12,2. Ik groet de godwaardige bisschop en het godgevallig priestercollege en mijn mededienaren, de diakens en ieder afzonderlijk en allen tezamen in de naam van Jezus Christus en in Zijn vlees en bloed, Zijn lijden en verrijzenis naar lichaam en ziel, in vereniging met God en met u. Genade zij u, erbarming. vrede, geduld voor altijd.

13,1. Ik groet de gezinnen van mijn broeders met hun vrouwen en kinderen en de maagden, die weduwen worden genoemd. Vaart wel in de kracht van de Geest. U groet ook Philo, die bij mij is. 13,2. Ik groet de familie van Tavia, aan wie ik sterkte toewens in geloof en in liefde naar lichaam en ziel. Ik groet Alce, de mij dierbaren naam, en Daphnus, de onvergelijkelijke en Eutecnus en allen bij name. Vaart wel in de genade van God.

2 Voetnoten

  1. Rom. 1,3.
  2. Mt. 3,15. Deze vertaling is letterlijk. KBS vertaalt hier heel vrij in Mt. 3,15: "want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen".
  3. Jes. 5,26: "Hij geeft een signaal aan een verre natie, Hij fluit ze bijeen van het uiteinde der aarde: daar komen zij vlug en gezwind.". ook. Jes. 1,12; 49,22; 62,10).
  4. Ef. 2,16.
  5. Tegen de docetisten. Vgl. aan de Tralliërs h. 9.
  6. Vgl. Luc, 24,39.
  7. Hand. 10,41.
  8. Fil. 4,13.
  9. Mt. 19,12.
  10. Dit is de eerste keer dat de naam "katholieke Kerk" ooit gebruikt werd.
  11. 2 Tim. 1,16.
  12. Dat de vrede in de Christengemeente weer hersteld is.
  13. Van de vrede.
  14. Fil. 3,15.
  15. Bedoeld is diaken.