Kerkvaders, Origenes

Uit Theowiki


1 Biografie.

Origenes Adamantius werd geboren in Alexandrië (Egypte) rond 182. Hij stierf in Caesarea ten laatste in 251. Zijn opleiding kreeg hij van zijn vader Leonides, die in 202 als martelaar stierf onder de vervolging van Septimius Severus. Zijn moeder kon voorkomen dat hij zijn vader hierin volgde. Het gezin van 8 kinderen leefde in armoede omdat hun rijkdom in beslag genomen was. Origenes leefde onder de bescherming van een rijke vrouw, maar omdat er ook een hereticus Paulus bij haar verbleef duurde dit verblijf niet lang. In 203 heropende hij de catechetische school, waarvan de laatste leider Clemens van Alexandrië door de vervolging verdreven was. De vervolging ging nog steeds door en de jonge leraar bezocht de gevangenen, de rechtszaken, hij troostte de veroordeelden en bijna miraculeus ontsnapte hij. Zijn roem en het aantal van zijn leerlingen groeide snel. Om volledig onafhankelijk te zijn verkocht hij zijn bibliotheek. Overdag gaf hij les, 's nachts bestudeerde hij de Bijbel en leefde een ascetisch leven. Hierin ging hij zo ver dat hij Mt. 19,12 letterlijk nam en zich liet castreren. Later in zijn leven oordeelde hij anders hierover.

Rond 211-212, bezocht hij Rome. Hij was ontgoocheld door de laksheid onder paus Zephyrinus. Terug in Alexandrië verdubbelde hij zijn inzet. Hij had hulp nodig. De zorg voor de catechumenen vertrouwde hij toe aan Heraclas, broer van de martelaar Plutarchus, zijn eerste leerling. Hij hield zich steeds meer bezig met exegese. Hij studeerde Hebreeuws. Het is overigens onbekend in welke mate hij deze taal beheerste.

Rond 212-213 leerde Origenes een rijk man Ambrosius van Alexandrië kennen, die hij van het Valentinianisme kon bekeren. Rond 218 komen zij formeel overeen dat Ambrosius de uitgave van de werken van Origenes zal betalen.

In 213 of 214 bezocht Origenes Arabië op verzoek van de prefect die met hem wilde spreken. Hij verbleef hierbij korte tijd in Petra.

In 215 waren er onlusten in Alexandrië. Keizer Caracalla liet na deze opstand zijn troepen de stad plunderen. De scholen werden gesloten en de vreemdelingen verjaagd. Ambrosius vertrok naar Cesarea, waar hij zich vestigde. Origenes trok ook naar Cesarea. Hier preekte hij, ook al was hij geen priester, op verzoek van de bisschoppen Alexander van Jeruzalem en van Theodorus van Cesarea. In 216 keerde hij terug naar Alexandrië. Over zijn werkzaamheden in de erop volgende tien jaar is weinig bekend. Maar het is duidelijk dat hij zich wijdde aan onderricht en schrijven. Hij kreeg van Ambrosius zeven stenografen die mekaar aflosten om zijn werken op te schrijven en een groep meisjes die zijn werken overschreven. Op verzoek van Ambrosius begon hij met een bijbelcommentaar, beginnend met Johannes, Gen. Ps. 1-25; Klaagliederen, enz.

Rond 230 reisde naar Griekenland in opdracht van de Kerk. Hij bezocht onderweg Cesarea waar hij priester gewijd werd. Demetrius van Alexandrië, zijn eigen bisschop, die reeds eerder geprotesteerd had tegen zijn preken zonder wijding in Cesarea wordt hierbij gepasseerd. Origenes viel nl. onder zijn bevoegdheid. Origenes werd vervolgens door een synode van bisschoppen en priesters uit Alexandrië verbannen. Een tweede synode verklaarde zelfs de wijding ongeldig. In 231 vluchtte hij uit Alexandrië en vestigde zich permanent in Cesarea. Vanuit Alexandrië bleef men tegen hem ageren met name in Rome. In het Oosten werd er geen aandacht aan geschonken.

Origenes onderwees in Cesarea, Cappadocië en Antiochië. Hij werd door zijn leerlingen op handen gedragen. Hij leerde dialectica, fysica, ethica, en metafysica. Hij probeerde alle wetenschappen uit zijn tijd vanuit het Christelijk standpunt verder te doordenken.

In 235 brak er vervolging uit onder keizer Maximinus Thrax (235-238). Hij schijnt twee jaar in een huis ondergedoken te hebben gezeten.

Van de laatste 20 jaar van zijn leven is weinig bekend. Hij preekte vrijwel dagelijks. Hij schreef enorm veel. Af en toe werden zijn werken onderbroken door reizen. Zo verbleef hij in deze periode een jaar in Athene. Na 240 werd hij aangeklaagd en moest hij zijn orthodoxie verdedigen in een brief aan paus Fabianus (236-250). De reden en inhoud van de aanklachten zijn ongekend.

In 250 was er weer een vervolging. Nu kon hij niet ontsnappen. Hij werd gefolterd, in het blok gezet. Deze folteringen schijnen tot zijn dood geleid te hebben. Een latere legende, te vinden bij Hiëronymus, spreekt over zijn dood en begrafenis in Tyrus is onbetrouwbaar.== Zijn geschriften. == Volgens Epiphanius schreef Origenes ca 6.000 werken, d.w.z. rollen of hoofdstukken. Zijn werken kan men onderverdelen in (1) tekstkritiek, (2) exegese, (3) systematische, praktische en apologetische theologie en (4) brieven, naast occasionele werken.

Het belangrijkste werk van de tekstkritiek was de Hexapla, die verloren gegaan is. Zijn exegetische werken zijn te verdelen in drie: (1) scholia, of korte samenvattingen van de betekenis van moeilijke passages, (2) preken en (3) boeken, of commentaren in strikte zin.

Zijn preken beslaan bijna de hele Schrift. Hij hield deze bijbelpreken na zijn 60ste verjaardag. Waarschijnlijk heeft hij de uitgave ervan niet gecontroleerd. Anders is de slordigheid in dictie niet te verklaren.

Zijn exegese in de preken is geen moderne wetenschappelijke commentaar maar vereiste toch een behoorlijk opleidingsniveau van zijn toehoorders. Hij beoogde een praktische uiteenzetting van de tekst en dat vers per vers. In droge boeken zoals Leviticus en Numeri allegoriseerde hij behoorlijk. Of de preken in serie gehouden werden of naderhand gerangschikt werden is onbekend. Hij zocht m.n. de diepere, geestelijke zin en verwaarloosde daarbij de letterlijke betekenis. Toch had hij ook interesse voor filologisch, geografisch, historisch en ouder materiaal, waaraan hij heel wat excursies wijdde. In zijn commentaar op Johannes houdt hij voortdurend de exegese van de Valentiniaan Heracleon voor ogen en vaak is het duidelijk dat hij de gnostische visies kende en weerlegde.

Van de apologetische werken zijn te noemen "De principiis primis (Over de eerste beginselen)" (tussen 212-215) en zijn "De Oratione (Over het gebed)", "De martyrio (Over de marteldood)"; "Contra Celsum (Tegen Celsus)".

Veel brieven en boeken zijn verloren gegaan.

2 Zijn filosofische opvattingen

Origenes, uit de school van Clemens van Alexandrië en van zijn eigen vader, was een platonist met hier en daar sporen van het stoïcisme. God, de pure rede, is het centrum van zijn spirituele en eeuwige wereld, Hij heeft de wereld geschapen met de materie als het noodzakelijke substraat. Ook Platoons is de leer dat de (menselijke) geesten de hoogste rede kunnen kennen, maar hierin gehinderd worden omdat zij opgesloten zitten in het lichaam in deze wereld. Zij zullen na de dood opgaan naar de godheid en gezuiverd worden door vuur. Origenes die het Christendom en het hellenisme wilde verzoenen, of beter het hellenisme zag als opstap naar het Christendom, haalde veel inspiratie uit Philo en zelfs de gnostici.

Zijn methode van exegese lag vaak dicht bij die van de gnostici. Hij hield zich echter aan de canon. Voor hem was de Schrift geïnspireerd, hetgeen bleek uit de vervulling van de profetieën en de onmiddellijke indruk die het lezen van de Schrift op de lezer maakte. Omdat de Logos in de schriften sprak waren Oud en Nieuw Testament een organisch geheel. Hij verzette zich tegen de gnostische tendentie om het O.T. af te wijzen.

Hij was zich bewust van de tegenstellingen tussen Oud en Nieuw Testament en kennelijke tegenspraken tussen de evangelies. Hij zocht vooral naar de diepere betekenis van de Schriften, bv. door de eigennamen te vertalen en zoals Philo te zoeken naar de diepere betekenis van elk historisch feit. Tegelijk benadrukte hij de juiste grammaticale interpretatie van de tekst als basis van elke vorm van exegese. Origenes maakte een onderscheid tussen de ideale Kerk en de feitelijke Kerk. Hij spreekt over een "dubbele kerk van mensen en engelen", of in Platoonse zin over de lagere Kerk en haar hemels ideaal. De ideale Kerk was de kerk van Christus, verspreid over de hele wereld. De andere is ook een schuilplaats voor zondaars. Terwijl hij hield dat de Kerk, in het bezit van de mysteries, de enige weg ter zaligheid was, was hij onverschillig tegenover haar externe organisatie, alhoewel hij af en toe spreekt over de ambtsdragers als de pilaren van de Kerk en hij ook spreekt over hun zware verplichtingen en verantwoordelijkheden.

Voor hem was het idee dat hij van Plato leende belangrijk, nl. dat er een grote verdeling tussen de mensen te maken is, tussen de massa die enkel in staat is tot een sensuele visie en hen die de verborgen betekenis van de Schrift en de goddelijke geheimen kennen. De organisatie van de Kerk was enkel voor de eerste groep van belang.

Het is twijfelachtig of Origenes een verplichte geloofsbelijdenis kende. In ieder geval was zo een geloofsbelijdenis niet de norm zoals het geïnspireerde woord van de Schrift. De rede, verlicht door de goddelijke Logos, die in staat is om de diepe geheimen van de goddelijke natuur te onderzoeken, blijft de enige bron van kennis.

3 Zijn godsbeeld.

Origenes' opvatting van God is volledig abstract. God is een perfecte eenheid, onzichtbaar, onlichamelijk en boven alle materiële dingen verheven. Hij is niet voor te stellen en onlichamelijk. Hij is onveranderlijk en staat boven tijd en ruimte. Zijn macht wordt beperkt door zijn goedheid, rechtvaardigheid en wijsheid. En ook al is hij vrij van alle dwang of noodzakelijkheid, toch dwingen zijn goedheid en almacht Hem om zichzelf te openbaren. Deze Openbaring of zelfmededeling van God naar buiten drukt Origenes op verschillende manieren uit. De Logos is hierbij maar een manier. De Openbaring (!) was de eerste schepping van God (Spr. 8,22) om een middelaar tussen God en de wereld te hebben. Immers God die onveranderlijke eenheid is kan niet de bron zijn van een veelvoudige schepping (= gedachte van Plotinus). De Logos is het rationele, geschapen principe dat het hele universum doordringt. Omdat God zichzelf van eeuwigheid manifesteert is ook de Logos eeuwig. De Logos is een brug tussen het geschapene en het ongeschapene. Alleen door Hem, de zichtbare vertegenwoordiger van de goddelijke wijsheid, kan de onlichamelijk en niet voor te stellen God gekend worden. De schepping kreeg haar bestaan enkel van de Logos en God komt de wereld het meest nabij in het bevel om te scheppen. Terwijl de Logos wezenlijk een eenheid is, omvat hij toch een veelheid van begrippen, zodat Origenes hem in Platoonse zin "wezen van wezens" en "idee van ideeën" noemt. De verdediging van de eenheid van God tegen de gnostici voerde ertoe dat Origenes de Logos als ondergeschikt aan God zag. Origenes onderlijnde de onafhankelijkheid van de Logos en het verschil tussen de Logos en het wezen van God. De latere uitdrukking "één in wezen met de Vader" werd nog niet gebruikt in deze context. Hij is veeleer het beeld of de spiegel. Hij is niet God zelf, maar de hoogste tussen andere "goden".

4 Zijn opvattingen over de Logos en de kosmologie.

De werking van de Logos werd Platoons gedacht. Hij werd gezien als een soort wereldziel (Demiurg), waarin God Zijn almacht toonde. Zijn eerst scheppingsdaad was de goddelijke geest, als onafhankelijke wezen. Gedeeltelijke weerspiegelingen zijn de rationele wezens, die omdat zij verwijzen naar de volmaakte God, volmaakt moeten zijn. Maar hun volmaaktheid is, in tegenstelling tot die van de Logos en de Geest, niet bereikt. De vrijheid van de wil is een wezenlijk gegeven van de rede, ook al heeft God voorkennis van alles. De Logos die van eeuwigheid schept vormt een eindeloze serie van eindige, begrijpbaren werelden.

Door een combinatie van de leer van de Stoa, die een heelal zonder begin houden, en de Bijbelse scheppingsleer, zag hij de zichtbare wereld als een fase van een eeuwig kosmisch proces, wat hem ook een middel gaf om de verschillen in het menselijke lot, beloning en straf te verklaren. De materiële wereld die eerst niet voorzien was in de eeuwige geestelijke vooruitgang was het gevolg van de zondeval van de geesten van God. De eerste die viel was de slang, die in lichaam en materie werd opgesloten. De uiteindelijke bedoeling van God met de materiële schepping uit het niets was niet straf, maar het herstellen/genezen van de gevallen geesten. Het toevallig menselijk wezen ligt geworteld in de voorbijgaande materie, maar zijn hogere natuur is gevormd naar het beeld van de Schepper. De ziel is verdeeld in een redelijk en in een onredelijk deel. Het laatste is materieel en voorbijgaand, het eerste is onlichamelijk, immaterieel en beschikt over wilsvrijheid en het vermogen om tot het zuiverdere leven te komen. Deze kosmologie heeft duidelijk een sterke ethische inslag en betekenis. Het terugbrengen naar het oorspronkelijke zijn van de geschapen dingen door de goddelijke rede is de bedoeling van het hele kosmische proces. Doorheen de elkaar opvolgende werelden kunnen de geesten terugkeren naar het Paradijs. God heeft de wereld zo geordend dat alle individuele daden samenwerken naar één kosmisch doel, dat uiteindelijk zijn hoogtepunt in Hem vindt.

Zijn anthropologie: de mens, ontvangen naar het beeld van God, is in staat om door God na te volgen in goede werken te worden zoals God, als hij eerst zijn eigen zwakheid erkent en vertrouwt op de goddelijke goedheid. Hij wordt hierbij geholpen door bewaarengelen, maar m.n. door de Logos die werkt door heiligen en profeten.== Christologie. == Het hoogtepunt van deze geleidelijke openbaring is de universele openbaring van Christus. In Christus heeft God die zich voorheen enkel als Heer liet kennen geopenbaard als Vader. De menswording van de Logos was nodig omdat hij anders onbekend bleef aan de sensuele mens. Maar het inwonen van de Logos blijft een mysterie. Een analogie hiervoor is enkel te vinden in het verblijven van God in de heiligen. Origenes kan dit allemaal niet verklaren. Hij spreekt over een "bijzonder lichaam" en in zijn opvatting is het sterfelijke lichaam van Jezus veranderd in een etherisch en goddelijk lichaam. Hier komt hij heel dicht bij het docetisme dat hij anders beslist afwijst.

Ook zijn visie op de ziel van Jezus is vaag en onduidelijk. Hij vraagt zich af of deze ziel niet eerst volledig volmaakt bij God was en van Hem uitging en op Zijn bevel een materieel lichaam aannam. Omdat hij de materie zag als de universele begrenzing van geschapen geesten kon hij onmogelijk inzien op welke manier die twee een eenheid vormden. Hij wilde niet speculeren hierover en verwees naar het geheim van Gods die het Heelal bestuurt.

In zijn visie was het logisch om de materiele wereld te zien als een episode in het geestelijke ontwikkelingsproces van het heelal. Het doel hiervan was de volledige vernietiging van alle materie en de terugkeer naar God, die alles in allen moet zijn.

De leer over de opstanding van het lichaam legt hij uit als dat de Logos de eenheid van het menselijk bestaan bewaart door zijn lichaam in steeds nieuwe vormen te veranderen en zo de eenheid en identiteit van de persoon bewaart binnen het geheel van een oneindig kosmisch proces.

In feite is het verlossingswerk van Jezus een "Fremdkörper" in de leer van Origenes. Immers zonde was uiteindelijk enkel negatief in de zin van een gebrek aan volmaakte kennis, daarom was het werk van Jezus niets anders dan het voorbeeld zijn en onderricht geven. Zijn menselijke leven was enkel toevallig, dit in tegenspraak met de immanente kosmische activiteit van de Logos. Origenes zag de dood van Jezus als een offer, en zag het als parallel met andere vormen van zelf-opoffering voor het algemeen goed. Op dit vlak kwam Origenes' leer maar heel matig overeen met de leer van de Kerk.

5 Eschatologie.

Origenes beschouwde enkel het geestelijke als werkelijk en wezenlijk. Dat blijkt uit zijn leer. Hij ziet het leven na de dood als een soort verdergaande uitzuivering van de zielen, die, uiteindelijk verder gaat tot zij, vrij van zonde de waarheid zullen kennen en God zoals de Zoon Hem kent. Zij zullen God van aangezicht tot aangezicht zien en de eenheid met God in het volle bezit van de H. Geest bereiken.

De wijze waarop dit zou gebeuren beschreef hij op verschillende manieren. De belangrijkste was die van een zuiverend vuur dat de wereld van het kwaad zou zuiveren en zo zou voeren tot een kosmische vernieuwing, zoals ook in het Stoïcisme.

Door een verdergaande spiritualisering kon hij God zelf het zuiverende vuur noemen. In de mate waarin de zielen vrij van zonde en onwetendheid waren, zou de materiële wereld voorbijgaan, totdat na eindeloos veel eonen, God uiteindelijk alles in alles zou zijn ne de werelden en geesten zouden terugkeren tot een kennis van God. Zijn leer van de apokatasthasis. Er is dus uiteindelijk geen plaats voor verdoemenis in zijn systeem.