Leo de Grote, Tomus Leonis
1 Leo de Grote Tomus Leonis1.1 InleidingPaus Leo I (440-461) aan Flavianus, bisschop van Constantinopel[1] 1.2 De tekstLeo aan zijn zeer beminde medebroeder Flavianus. Uw schrijven, zeer beminde, dat tot onze verwondering zo laat was, hebben wij gelezen en wij hebben kennis genomen van het verslag van de bisschoppelijke handelingen.[2] Nu weten wij eindelijk, welke ergernis er bij u ontstaan is tegen de ongeschondenheid van het geloof, en hetgeen eerst geheimzinnig scheen, is nu open en bloot voor ons komen te liggen. Daaruit blijkt, dat Eutyches, die vanwege zijn priesterlijke naam eerbiedwaardig scheen, zeer onverstandig en al te onervaren is, zodat ook van hem door de profeet gezegd is: "Hij weigerde, zich verstandig en goed te gedragen; zelfs op zijn bed bedenkt hij nog slechtheid".[3] Want wat is er slechter, dan smaak te vinden in goddeloze dingen en zich niet te schikken naar hen, die wijzer en geleerder zijn? Maar in deze onwijsheid vallen zij, die, wanneer zij door een of andere duisternis belet worden om de waarheid te kennen, niet teruggaan naar hetgeen de profeten zeggen noch naar de brieven van de Apostelen noch naar het gezag van het Evangelie, maar naar zichzelf, en daarom zijn zij leraren van de dwaling, omdat zij geen leerlingen van de waarheid waren. Want welke kennis heeft hij uit de gewijde bladzijden van het Nieuwe en het Oude Testament verworven, die zelfs niet eens de grondbeginselen van de geloofsbelijdenis heeft begrepen? En wat over de hele wereld door de mond van hen, die door het doopsel herboren moeten worden, wordt beleden, heeft het hart van die oude man nog niet in zich opgenomen. Wanneer hij dan niet wist, wat hij over de menswording van het Woord Gods moest denken, en als hij, om zich het licht van het inzicht te verdienen, de heilige Schrift niet in haar gehele breedte wilde doorwerken, had hij minstens met een aandachtig oor die algemene en overal gelijkluidende belijdenis moeten opvangen, waardoor de hele gemeenschap van de gelovigen belijdt, dat zij gelooft "in God de almachtige Vader en in Christus Jezus, Zijn enige Zoon, onze Heer, die geboren is uit de Heilige Geest en de Maagd Maria."[4] Door deze drie uitspraken worden de onrustbarende pogingen van bijna alle ketters ontzenuwd. Maar als hij (Eutyches) uit deze allerzuiverste bron van het christelijk geloof geen waarachtig en oprecht inzicht kon putten, omdat hij door zijn verblindheid de glans van de helder-stralende waarheid had verduisterd, dan had hij zich aan de leer van het Evangelie moeten onderwerpen, waar Mattheüs zegt: "Geslachtslijst van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham." (Mt. 1,1) Dan had hij ook hetgeen door de prediking van de apostelen geleerd wordt, moeten verlangen en in de brief aan de Romeinen moeten lezen: Zo zou hij dan geen dwaalmeningen verkondigen en niet zeggen, dat het Woord op die wijze vlees was geworden, dat Christus, die uit de schoot van de Maagd was voortgekomen, wel de gedaante van een mens bezat, maar niet de werkelijkheid van het lichaam van Zijn Moeder. Of heeft hij misschien daarom geloofd, dat onze Heer Jezus Christus niet tot onze natuur behoorde, omdat de engel, die naar de zalige Maria was gezonden, zei: "De Heilige Geest zal over U neerdalen en de kracht van de Allerhoogste zal U overschaduwen, en daarom zal het heilige, dat uit U wordt geboren, Zoon van God worden genoemd" (Lc.1,35), zodat, omdat de ontvangenis van de Maagd een goddelijk werk was, het vlees van Hem, die ontvangen werd, niet tot de natuur van haar, die Hem ontving, behoord zou hebben? Met behoud dan van wat aan beide naturen eigen was en terwijl zij in één persoon tezamen kwamen, werd door de majesteit de nederigheid, door de kracht de zwakheid, door de eeuwigheid de sterfelijkheid aangenomen, en om de schuld van onze staat te voldoen, werd de onschendbare natuur met de lijdelijke natuur verenigd, opdat, hetgeen als geneesmiddel voor ons vereist werd, de éne en zelfde Middelaar tussen God en de mensen, de Mens Christus Jezus (1 Tim. 2,5), enerzijds kon sterven en anderzijds niet kon sterven. In de ongeschonden en volmaakte natuur dus van een ware mens is de ware God geboren, geheel in het Zijne, geheel in het onze. Het onze echter noemen wij datgene, wat de Schepper van het begin af aan in ons heeft geschapen en dat Hij op Zich heeft genomen om het te herstellen; want van hetgeen de verleider heeft teweeggebracht en de misleide mens heeft verloren, was in de Verlosser geen enkel spoor te bekennen noch werd Hij, omdat Hij in gemeenschap trad met de menselijke zwakheden, daarom ook deelachtig aan onze zonden. Hij nam de gedaante van een dienstknecht aan zonder de smet van de zonde. Hij verhief het menselijke, maar verlaagde niet het goddelijke, omdat die zelfvernietiging, waardoor Hij, de onzichtbare, Zich zichtbaar toonde en Hij, de Schepper en Heer van alles, een van de stervelingen wilde zijn, een neerbuigen was van Zijn erbarming, niet een tekort aan Zijn macht. Daarom dan is Hij, die in Gods gedaante blijvend de mens geschapen heeft, in de gedaante van een slaaf mens geworden. Beide naturen immers behouden wat hun eigen is, zonder dat zij worden geschonden; en zoals de gedaante van God de gedaante van de slaaf niet wegneemt, zo betekent de gedaante van de slaaf voor de gedaante van God geen vermindering. Want omdat de duivel er zich op beroemde, dat de mens, die door zijn misleiding was bedrogen, de goddelijke genade-gaven ontbeerde en, van de gave van de onsterfelijkheid beroofd, aan het harde doodvonnis was onderworpen en dat hij in zijn ellende in de gemeenschap met zijn verleider een zekere troost had gevonden en dat God Zijn eigen oordeel ten opzichte van de mens, die Hij met zo grote luister had geschapen, had veranderd, aangezien de rechtvaardigheid dat eiste, daarom was het krachtens het bestel van het geheime raadsbesluit noodzakelijk, dat de onveranderlijke God, wiens wil niet van Zijn welwillende goedheid gescheiden kan worden, het eerste oorspronkelijke plan van Zijn liefde jegens ons door een nog dieper verborgen geheim voltooide en dat de mens, die door de listige boosheid van de duivel schuldig was geworden, niet tegen Gods bedoeling in verloren zou gaan. Gods Zoon treedt dan deze zwakheid van de wereld binnen; van Zijn hemelse troon daalt Hij neer en toch verlaat Hij evenwel niet de heerlijkheid van Zijn Vader; op een nieuwe wijze komt Hij door een nieuwe geboorte ter wereld. Op een nieuwe wijze, want onzichtbaar in Zijn eigen natuur is Hij zichtbaar geworden in de onze. Hij, die niet te omvatten is, wilde omvat worden. Vóór de tijden blijvend, begon Hij in de tijd te zijn. De Heer van het heelal heeft Zijn onmetelijke majesteit omhuld en de gedaante van een slaaf aangenomen. De God die niet kan lijden heeft het niet beneden zich geacht, om een mens te zijn die kan lijden en ofschoon onsterfelijk, toch aan de wetten van de dood onderworpen te zijn. Door een nieuwe geboorte echter kwam Hij ter wereld, omdat een ongeschonden maagdelijkheid, die de begeerte niet kende, Hem dienend de stof van het Lichaam bereidde. Van de moeder van de Heer werd de natuur, niet echter de schuld aangenomen, maar daarom is in de Heer Jezus Christus, die uit de schoot van de Maagd werd geboren, de natuur niet ongelijk aan de onze, omdat Zijn geboorte wonderbaar is. Want Hij, die waarachtig God is, is ook waarachtig mens en er bestaat in deze eenheid geen enkele leugen, daar én de nederigheid van de mens én de verhevenheid van de Godheid in elkander zijn. Zoals God immers niet verandert door deze erbarming, zo verdwijnt ook de mens niet door deze waardigheid. Want iedere vorm verricht in gemeenschap met de andere wat hem eigen is, doordat het Woord namelijk verricht wat aan het Woord eigen is en het vlees ten uitvoer brengt wat tot het vlees behoort. Het ene van deze schittert door wonderen, het andere is blootgesteld aan versmadingen en zoals het Woord zich niet van de gelijkheid met de heerlijkheid van de Vader verwijdert, zo verlaat het vlees niet de natuur van ons geslacht. Want één en dezelfde is waarlijk de Zoon van God en waarlijk de Mensenzoon: God, omdat "in het begin het Woord was en het Woord bij God was en het Woord God was" (Joh. 1,1); mens, omdat "het Woord is vlees geworden en onder ons heeft gewoond" (Joh. 1,14), God, omdat "door Hem alles gemaakt is en zonder Hem niets gemaakt is" (Joh. 1,3). Mens, omdat "Hij geboren is uit een vrouw en gesteld werd onder de Wet" (Gal. 4,4). De lichamelijke geboorte is een openbaring van de menselijke natuur, het baren van de Maagd is een aanwijzing van de goddelijke macht. De kindsheid van de Kleine wordt getoond door de simpele, gewone wieg; de grootheid van de Allerhoogste wordt betuigd door de stemmen van de engelen. Gelijk aan de kleine kinderen van de mensen is Hij, die Herodes op goddeloze wijze tracht te doden, maar de Heer van allen is Hij, die de Wijzen in vreugde smekend aanbidden. En toen Hij naar het doopsel van Zijn voorloper Johannes kwam, weerklonk, opdat niet verborgen zou blijven, dat onder de sluier van het vlees de godheid verborgen was, de stem van de Vader uit de Hemel: "Dit is Mijn welbeminde Zoon, in wie Ik Mijn welbehagen heb gesteld" (Mt. 3,17) Aan Hem die de sluwheid van de duivel als mens op de proef stelt, worden als God door de Engelen diensten bewezen. Honger hebben, dorst lijden, vermoeid worden en slapen is, duidelijk iets menselijk, maar - met vijf broden vijfduizend mensen verzadigen en aan de Samaritaanse vrouw levend water schenken, dat, wanneer het geput is, ervoor zorgt dat wie ervan drinkt geen dorst meer heeft, op de rug van de zee wandelen, zonder dat de voeten wegzinken, en de storm te gebieden de opgezweepte golven doen liggen, dat is zonder twijfel iets goddelijk. Zoals het dus, om kort te zijn, niet tot dezelfde natuur behoort, om een gestorven vriend vol medelijden te bewenen en hem, nadat de afsluiting van het graf, waarin hij reeds vier dagen lag, verwijderd was, met gebiedende stem weer tot het leven op te wekken; of aan het kruis te hangen en het licht in nachtelijk duister te veranderen en alle elementen te doen beven; of met nagels doorboord te zijn en de poorten van het paradijs voor het geloof van de moordenaar te ontsluiten, zo behoort het ook niet tot dezelfde natuur te zeggen: "Ik en de Vader, wij zijn één" (Joh. 10,30) en te zeggen: "De Vader is groter dan Ik" (Joh. 14,28). Want opschoon in de Heer Jezus Christus de persoon van God en de Mens één is, is het toch iets anders, waardoor in beiden de versmading gemeenschappelijk, iets anders, waardoor de heerlijkheid gemeenschappelijk is. Want van ons heeft Hij de mensheid, die minder is dan de Vader, van de Vader heeft Hij dezelfde gelijke godheid als de Vader. Vanwege deze eenheid van persoon dan, die in beide naturen verstaan moet worden, leest men van de ene kant, dat de Mensenzoon uit de hemel is neergedaald, toen de Zoon van God het vlees heeft aangenomen van de Maagd, uit wie Hij geboren is, en van de andere kant wordt er gezegd, dat de Zoon van God gekruisigd en begraven is, ofschoon Hij dit niet in zijn Godheid, waardoor de Eniggeborene mede-eeuwig en mede-zelfstandig is met de Vader, maar in de zwakheid van de menselijke natuur heeft geleden. Vandaar belijden wij allen ook in de geloofsbelijdenis, dat de eniggeboren Zoon van God gekruisigd en begraven is volgens dat woord van de Apostel: "Zo ze Hem gekend hadden, zouden ze de Heer van de heerlijkheid niet hebben gekruisigd" (1 Kor. 2,8). Toen onze Heer en Zaligmaker echter Zelf door ondervragingen Zijn leerlingen in het geloof onderrichtte, zei Hij: "Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Mensenzoon, ben?" En toen zij Hem de verschillende meningen van anderen hadden weergegeven, zei Hij: "Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben", Ik namelijk, die de Mensenzoon ben en die gij in de gedaante van een slaaf en in een werkelijk lichaam aanschouwt, wie zegt gij, dat Ik ben? Toen zei de gelukzalige Petrus, die door God geïnspireerd was en door zijn belijdenis allen volkeren van nut zou zijn: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God" (Mt. 16,13v). Niet ten onrechte werd hij door de Heer zalig geprezen en verkreeg hij van de voornaamste rots hechtheid zowel van kracht als van naam, hij, die Hem door de openbaring van de Vader èn als Gods Zoon èn als de Christus beleed. Went wanneer het ene zonder het andere werd aanvaard, baatte het niet ter zaligheid en het was even gevaarlijk, in de Heer Jezus Christus te geloven ofwel enkel als God zonder Zijn mensheid ofwel alleen maar als mens zonder Zijn godheid. Met recht moet men houden, dat die Eutyches niet in het bezit is van dit geloofsgeheim, daar hij niet erkent, dat onze natuur zich in de Eengeborene van God bevindt noch in de vernedering van de sterfelijkheid noch in de heerlijkheid van de verrijzenis, en die ook de uitspraak niet vreest van de gelukzalige Apostel en Evangelist Johannes, die zegt: "Iedere geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees is gekomen, is uit God en iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God en deze behoort tot de Anti-christ" (1 Joh. 4,2-3) Wat betekent echter "Jezus niet belijden" anders dan de menselijke natuur van Hem scheiden en het Geheim, waardoor alleen wij verlost zijn, door de meest schaamteloze fantasieën van zijn inhoud beroven? Nu hij echter in het duister rondtast over de natuur van Christus' Lichaam, moet hij noodzakelijkerwijze door dezelfde verblinding ook over Zijn Lijden een verkeerde mening hebben. Want als hij het kruis van de Heer niet voor onecht houdt en niet twijfelt, dat het lijden, dat voor het heil van de wereld aanvaard werd, werkelijk is geweest, moet hij ook het vlees erkennen van Hem, in wiens dood hij gelooft en hij moet dan niet loochenen dat Hij, van wie hij erkent, dat Hij lijdelijk is geweest, Mens is met een lichaam gelijk het onze, omdat de ontkenning van het waarachtige vlees ook een ontkenning is van Zijn lichamelijk lijden. Hij luistere naar de gelukzalige Apostel Petrus, die verkondigt, dat de heiliging van de geest geschiedt door de besprenkeling met het Bloed van Christus en hij leze niet oppervlakkig over de woorden heen van dezelfde Apostel, als deze zegt: "Want gij weet, dat gij niet met vergankelijk zilver en goud zijt vrijgekocht uit uw ijdeln levenswandel, die van uw vaders stamt, maar door 'het kostbaar Bloed van Jezus Christus als van een Lam zonder vlek of gebrek" (1 Pet. 1,18) Hij weersta ook niet aan het getuigenis van de gelukzalige Apostel Johannes, die zegt: "En het Bloed van Jezus, de Zoon van God, reinigt ons van alle zonde" (1 Joh. 1,7) En andermaal: "En dit is de overwinning, die zegepraalt over de wereld: ons geloof! Wie anders toch is overwinnaar van de wereld, dan hij die gelooft, dat Jezus de Zoon is van God? Deze is het, die gekomen is door Water en Bloed: Jezus Christus; niet door Water alleen, maar door Water en Bloed. En ook de Geest legt getuigenis af, want de Geest is waarheid. Zodat er drie zijn. die getuigenis afleggen: de Geest en het Water en het Bloed en deze drie zijn één" (1 Joh. 5,4-5).[5] De Geest namelijk van heiligmaking en het Bloed van de verlossing en het water van het Doopsel, welke drie één zijn en onafscheidbaar blijven en waarvan niets zich uit zijn verband laat losmaken. De katholieke Kerk leeft uit dit geloof, hier groeit zij door, dat in Christus Jezus niet geloofd wordt aan de mensheid zonder de ware godheid noch aan de godheid zonder de ware mensheid. Ofschoon Eutyches echter bij de ondervraging tijdens uw onderzoek geantwoord heeft: "Ik belijd, dat onze Heer uit twee naturen bestond vóór de vereniging, maar ik belijd, dat er na de vereniging één natuur is", is tot mijn verwondering een zo ongerijmde en zo verderfelijke belijdenis door geen enkele berisping van de rechters gelaakt en heeft men die al te onwijze taal maar laten begaan, alsof er niets was, dat het oor kwetste, alhoewel er toch even goddeloos gezegd wordt, dat de eengeboren Zoon van God vóór de menswording twee naturen bezat, als er goddeloos beweerd wordt, dat er in het Woord, nadat het vlees is geworden, slechts één enkele natuur bestaat. Opdat Eutyches daarom nu niet mene, dat dit op een juiste of dragelijke wijze gezegd is, omdat het door geen enkele uitspraak uwerzijds weerlegd werd, manen wij, allerdierbaarste broeder, uw liefdevolle ijver aan, dat, indien door de ingeving van Gods barmhartigheid de zaak tot een bevredigende oplossing wordt gebracht, ook de onwetendheid van die onkundige man van deze zijn verderfelijke mening worde gezuiverd. Zoals het verslag van de handelingen kenbaar heeft gemaakt, was hij weliswaar goed begonnen om zijn overtuiging te laten varen, toen hij, door uw uitspraak in het nauw gedreven, bekende, dat hij zei wat hij van te voren niet gezegd had, en zich met dat geloof verenigde, waar hij eerst ver van afstond. Maar toen hij tot de veroordeling van de goddeloze leerstelling zijn toestemming niet had willen verlenen, begreep hij, mijn broeder, dat hij in een verkeerd geloof volhardde en dat hij waard was om een veroordelend vonnis te ontvangen. Wanneer hij daarover een oprecht en vruchtbaar berouw toont en, zij het ook laat, erkent, hoe terecht de bisschoppelijke uitspraak gedaan is, ofwel wanneer hij om volledige voldoening te geven alles, wat hij verkeerd heeft gehouden, mondeling en door eigenhandige ondertekening verwerpt, dan zal iedere mogelijke mildheid jegens hem, die aldus terecht is gewezen, niet afkeurenswaardig zijn, omdat onze Heer, de ware en goede Herder, die "Zijn leven heeft gegeven voor Zijn schapen" (Joh. 10,11) en die gekomen is om de zielen van de mensen zalig te maken, niet om ze verloren te doen gaan, wil, dat wij navolgers zijn van Zijn milde goedheid, zodat de rechtvaardigheid weliswaar hen, die misdoen, terechtwijst, doch de barmhartigheid hen, als zij zich bekeerd hebben, niet van zich afstoot. Want dan eerst wordt het ware geloof op de meest vruchtbare wijze verdedigd, wanneer de verkeerde mening ook door haar aanhangers wordt veroordeeld. 1.3 Voetnoten
|