Duiveluitdrijvingen van Jezus

Uit Theowiki

1 Literatuur

  • Deze tekst is voor 90 procent: Het Evangelie volgens Marcus,(Regensburger N.T. deel 2, 1963) 53-58. Dit in afwachting van een eigen verdere uitwerking.
  • Georges Tavard, Die Engel = Handbuch der Dogmengeschichte, Bd. II Faszikel 2b, Freiburg, Basel, Wien, Herder, 1968.
  • Mysterium Salutis (NL, 1968) VIII, 128-223.

2 In het O.T.

Het geloof in demonen of boze geesten en hun verderfelijke werkzaamheid in de wereld speelt in de O.T. maar een ondergeschikte rol. Weliswaar zijn engelen en boze geesten aanwezig.
Oorspronkelijk hebben de demonen ook geen relatie met Satan. Ook over Satan wordt slechts op enkele plaatsen gesproken. In Zach. 3,1-2 en Job 1-2 wordt hij tot Gods hofhouding gerekend en speelt dan de rol van een hemelse aanklager. Hij is dan nog geen slechte engel. In Job is hij echter ook de veroorzaker van al het lijden dat Job treft. In 1 Kron. 21,1 verschijnt hij als bekoorder.
De belangrijkste uitspraak van het O.T. over Satan is Wijsh. 2,24 die leert dat door de nijd van de duivel de dood in de wereld is gekomen. Dit is de leer die dus pas op het einde van het O.T. ontstaat. Ongetwijfeld is hier gedacht aan het verhaal van de zondeval (Gen. 3), en wordt de Satan gelijkgesteld met de paradijs-slang. De geringe betekenis van het geloof in duivel en demonen in de godsdienst van Israël, terwijl het bij alle volkeren rondom (Egypte, Babylonië, Assyrië, Perzië) sterk ontwikkeld was, bewijst de kracht van het Israëlitische monotheïsme. Jahweh is volgens dit geloof niet alleen de ene God, Hij is ook de bewerker van alles, van wie zowel heil als onheil komt (vgl. Am. 3,6) en die niet alleen geen andere goden, maar ook geen demonische wezens naast zich duldt.

3 In het late Jodendom.

In het late Jodendom echter is het geloof aan demonen en aan de Satan duidelijk aanwezig. Daarbij is ook de rol van Satan een andere geworden. Zijn verblijfplaats is niet meer aan het hof van God, maar hij verschijnt als de absolute tegenstander van God en de mensen, die tracht Gods heilsplannen te doen mislukken en Israël te verleiden tot afval van God en tot alle mogelijke zonden om dan ook weer als aanklager op te treden. Wanneer God de zonder meer goede is, dan is Satan de zonder meer slechte. De kracht van het Joodse monotheïsme heeft echter verhinderd dat zich een dualisme ontwikkelde zoals in het parsisme.

De Satan blijft ook als Gods scherpste tegenstander een schepsel van God. De vraag naar zijn oorsprong wordt beantwoord in deze zin: dat hij een gevallen engel is, en dat hybris de oorzaak van zijn val uit Gods tegenwoordigheid is geweest. De andere boze geesten, de demonen, vormen een rijk dat onder zijn heerschappij staat. De gehele wereld heet door demonen bevolkt te zijn; zij bevinden zich overal in de lucht en op de aarde en nemen ook bezit van een mens en kunnen in hem wonen. Hun bezigheid bestaat echter slechts in kwellen en vernielen. Alle mogelijke plagen worden aan hen toegeschreven: vooral ziekten (vgl. Lc. 13,10-17), natuurrampen, nood, armoede en de dood. Dat zij de mensen ook tot kwaad verleiden wordt slechts in het boek der Jubileeën (7,27; 10,1; 11,4; 12,20) en in het Test. XII Patr. (Test. Zabul. 9; Aser 6) uitgesproken. Het zijn geesten. Onreine of boze geesten heten zij echter omdat zij in dienst staan van Satan. Ondanks het feit echter dat zij als helpers van Satan vijanden van God en de mensen zijn, staan zij naar Joodse leer toch ook weer in Gods dienst, als een soort goddelijke strafengelen, in zoverre God 'hun volmacht geeft, de straffen op aarde te voltrekken, die vanwege de zonde over de mensen worden uitgesproken' (Billerbeck). Zij zijn daarom bij hun optreden aan Gods wil gebonden en kunnen de mensen niet naar eigen willekeur schade toebrengen.

  • Weliswaar is deze zienswijze in de Joodse theologie niet consequent doorgevoerd; want de demonen kunnen niet alleen de boze mens schaden, zodat hun werkzaamheid steeds vergelding, door God verordende straf, zou zijn, maar ook de rechtvaardige. En anderzijds kent het Jodendom ook allerlei afweermiddelen tegen hen, zoals bijv. de gebedsriemen, die als amuletten werden beschouwd (vgl. Mt. 23,5), en vooral het exorcisme, de uitdrijving der demonen uit hun slachtoffers door bezwering of ook door toverij (vgl. Mt. 12,27 = Lc. 11,19; Mc. 9,38).

De uiteindelijke vernietiging van hun macht verwachtte men van de Messiaanse tijd (vgl. 1 Henoch 69,27). Deze leer over de demonen komen we met zekere veranderingen weer tegen in de synoptische overlevering (niet bij Johannes, bij wie we geen exorcismen vinden, maar wel de woorden 'hij heeft een demon' d.w.z. 'hij is krankzinnig', vgl. 7,20; 8,48-49.52; 10,20). Ze is ook de leer van Jezus.

4 De demonen in het N.T.

De synoptische evangeliën spreken van 'onreine geesten', 'boze geesten', of 'demonen', die (soms in grote getale, vgl. Mc. 5,9.11; Mt. 12,45; Lc. 8,2) van bepaalde mensen bezit hebben genomen en door Jezus en zijn leerlingen (Mc. 6,13; Lc. 10,17-20; vgl. ook Hand. 16,16-18; 19,13-16) uit hen worden verdreven.

4.1 Bezetenheid.

De bezetenheid gaan meestal gepaard met zware lichamelijke en psychische beschadigingen van de betrokken mensen: stomheid (Mc. 9,17; Lc. 11,14), doofheid (Mt. 9,32), blindheid (Mt. 12,22), zware verlammingen (Lc. 13,11), epilepsie (Mc. 9,14-29), razernij (Mc. 5,1 e.v.). Deze ziekten worden gezien als het gevolg van de bezetenheid en er wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen de bezetenheid zelf en de ziekte (Mt. 4,24; Mc. 1,34; 3,10-11;6,13; Lc. 7,21;13,32; vgl. ook Joh. 10,20); ook worden niet alle ziekten aan demonische invloed toegeschreven. De bezetenen worden nooit als zedelijk slechte mensen geschilderd. Zij zijn veeleer de weerloze slachtoffers van satanische machten. Nooit wordt gezegd of ook maar aangegeven dat de bezetenheid een straf voor vroegere zonden is.
Er is ook nooit sprake van dat de demonen hun prooi tot zedelijk slechte daden verleiden en hen in het eeuwig verderf willen storten. Dit wordt enkel en alleen als het streven van Satan-zelf verklaard. De demonen echter hebben alleen de bedoeling de mensen te kwellen. En daarom is Jezus' strijd tegen hen niet een strijd tegen de zonde.
Judas, die onder duivelse invloed Jezus verraden heeft (Lc. 22,3; Jo. 13,27), wordt niet als bezetene voorgesteld. Omdat de demonen de helpers van Satan zijn, daarom zijn zij de vijanden van God en van de mensen, en het onheil dat zij aanrichten is tegen Gods wil. Ze worden niet als goddelijke strafengelen voorgesteld, zoals in het Jodendom, en de demonenuitdrijvingen van Jezus en zijn leerlingen maken deel uit van zijn strijd tegen Satans heerschappij. Het meest opvallende bij de in de synoptische evangeliën verhaalde gevallen van demonische bezetenheid is hun grote aantal (vgl. Mc. 1,32;3,11; Lc. 8,2-3).

4.1.1 De afwijzing van het bovennatuurlijke karakter.

Die evangeliënkritiek die principieel wonderen afwijst ziet hier sinds J.S. Semler (1779) slechts verschillende vormen van geestesziekten, vooral epilepsie, hysterie, razernij, manisch-depressieve waanzin, schizofrenie. Men verwijst daarbij naar het onloochenbare feit dat in alle godsdiensten van de wereld rond het oer-christendom, bij Egyptenaren zowel als Babyloniërs, Perzen, Grieken en Joden het demonen-geloof een grote rol speelde en in samenhang daarmee de toverij, die een bepaalde methode van afweer tegen demonen heeft uitgewerkt.
Niet alleen de evangelische overlevering maar ook Jezus zelf zou, daar het Hem aan kennis van de moderne psychiatrie en daarmee ook aan de mogelijkheid om deze gevallen juist te beoordelen ontbrak - aan de gevallen zelf kan in het algemeen niet getwijfeld worden - de beperkte zienswijze van zijn tijd hebben gedeeld en duivelse invloed hebben gezien waar alleen natuurlijke ziekteverschijnselen aan de orde waren.

4.1.2 Een antwoord op deze afwijzing.

De psychiatrische verklaring van de evangeliënberichten maakt echter nauwelijks hun zo opvallend groot aantal begrijpelijk. En ook de talrijke 'genezingen' van de bezetenen laten zich zonder wonderen moeilijk verklaren. Bovenal echter pleit tegen de psychiatrische verklaring van de gevallen van bezetenheid de houding van de bezetenen tegenover Jezus. We ontmoeten geen enkel geval van dubbel ik-bewustzijn, geen voorbeeld waarin een bezetene iets tegen de wil van de in hem huizende demon doet.
De handelingen van de bezetenen zowel als hun woorden worden integendeel als uitingen van de demon voorgesteld, wiens werktuig deze mensen zijn. Daarom verweren zij zich tegen de nadering van Jezus (Mc. 1,23-24; 5,10).
Bijzonder opvallend is dat zij, en alleen zij, Jezus erkennen als de Messias en Hem als zodanig belijden (Mc. 1,34; 3,11; 5,7) en daarmee getuigen een hoger weten aangaande Jezus' Persoon te bezitten dan hun gehele omgeving.
Jezus appelleert bij hun 'genezing' nooit aan hun wil, maar steeds aan de in hen wonende demon, die hun wil knevelt en hun daardoor iedere vrije beslissing onmogelijk maakt. Met name het verhaal over de genezing van de bezetene van Gerasa (Mc. 5,1-20) verzet zich tegen een bevredigende natuurlijke verklaring. Het zou echter niet consequent zijn juist die details van de evangelische berichten, die niet passen in een psychiatrische verklaring, alleen daarom als 'latere stilering der overlevering' te verwerpen.
In Jezus' behandeling der bezetenen ontbreken de anders gebruikelijke magische formuleringen en praktijken volledig. De demonenuitdrijving geschiedt enkel en alleen door de 'vinger' of 'Geest van God' (Lc. 11,20 = Mt. 12,28), louter door het machtwoord van Jezus, dat onafhankelijk is van bepaalde formules en onvoorwaardelijke uitwerking heeft.
Bij de op afstand voltrokken genezing van de dochter der Syrofenicische vrouw (Mc. 7,24-30) is bovendien iedere rechtstreekse psychische beïnvloeding onmogelijk. Ook het vragen naar naam bij de bezetene van Gerasa (Mc. 5,9) moet Jezus, zoals de samenhang bewijst, niet eerst macht over de demon verschaffen. Derhalve zijn de demonenuitdrijvingen voor de evangelisten naast de andere wonderdaden bewijzen van Jezus' goddelijke macht en van het aanbreken van het Rijk Gods.

4.2 Jezus strijd tegen en overwinning op het kwade.

Dat de Farizeeën ze afwijzen en toeschrijven aan een verbond met Satan zelf, heeft Jezus tot de zwaarste, onvergeeflijke zonde tegen de heilige Geest verklaard (Mc. 3,28-29). Het zijn naar Jezus' eigen getuigenis in eerste instantie geen weldaden jegens de mensheid, maar een bestanddeel van zijn strijd tegen de 'heerser van deze wereld' (Jo. 12,31), Satan of Beëlzeboel (Mc. 3,22-23), de heer der demonen (Mc. 3,27-28; Lc. 6,17-19).
Duiveluitdrijvingen kunnen daarom alleen correct begrepen worden in hun samenhang met datgene wat de evangeliën over de strijd tussen Satan en het Godsrijk berichten. Er is niet een menigte afzonderlijke demonen, die in de wereld hun wandaden bedrijven, maar zij vormen volgens Jezus' leer allen met elkaar één rijk, welks heerser Satan is (Mc. 3,23 e.v.; Lc. 10,17-20; 13,11.18).
Vanaf de bekoringen in de woestijn, waarin Satan Jezus tracht te verleiden tot afval van zijn Messiaanse taak (Mt. 4,1-11), tot aan het door hem geïnspireerde verraad van Judas (Lc. 22,3;Joh. 13,27), is Satan de tegenstander van God. Hij neemt Gods woord weg uit de harten van de mensen (Mc. 4,15) en zaait onkruid tussen het zaad van de Mensenzoon (Mt. 13,39).
Jezus echter is de sterkere, die de sterke, Satan, overwint (Mc. 3,27). En als Jezus door de vinger Gods de demonen uitdrijft, dan moest dit door de mensen verstaan worden als zichtbaar bewijs voor het feit dat de heerschappij van God is aangebroken en dat de heerschappij van Satan aan zijn ondergang toe is (Mt. 12,28 - Lc. 11,20; vgl. Lc. 10,18).
Johannes, die geen enkele duiveluitdrijving vermeldt, stelt Satan voor als de op het eeuwige verderf van de mens bedachte "moordenaar van begin af" (8,44) en tegenstander van God, heeft in plaats daarvan de achtergrond opengelegd waartegen het grote aantal gevallen van bezetenheid bij de drie oudere evangelisten eerst begrijpelijk wordt: het werken in de wereld van de macht van de boze, van hem die zich tot 'heerser van deze wereld' heeft gemaakt, en wie te overwinnen een hoofdpunt in Jezus' heilswerk is. Het besef daarvan komt in de woorden der demonen zelf tot uitdrukking (vgl. Mc. 1,24). Bij de laatste en beslissende aanval zal Jezus naar de schijn het onderspit delven. Maar deze schijntriomf van Satan betekent zijn definitieve nederlaag (Joh. 12,31;16,11; vgl. Hebr. 2,14)