Het woord proseliet komt van het Griekse woord "προσηλυτος", dat afgeleid is van het werkwoord προσερχομαι ((er)bij-komen, zich bij iemand of iets voegen).
In het N.T. heeft het twee betekenissen:
- de eigenlijke proseliet, is de niet-Jood die zich door besnijdenis en (zolang de tempel bestond door het opdragen van een offer) in het Jodendom liet opnemen en zich ertoe verbond de hele wet te onderhouden (bv. Mt. 23,15).
- de zogenaamde "godvrezenden". Zij bezochten de synagogen en hielden zich aan bepaalde delen van de wet. Zij onderhielden bv. de sabbatsrust en spijsvoorschriften.
Het Jodendom genoot een zekere aantrekkingskracht, vermoedelijk door zijn zuiver Godsbeeld, van de éne, onzichtbare God. Ook door het verlangen naar verlossing en ingrijpen van God in de geschiedenis. En eventueel het verlangen naar het eeuwig leven. Het kon tevens iets meepikken van de algemene interesse uit die tijd voor oosterse godsdiensten.
Paulus zal ook regelmatig "proselieten" ontmoeten op zijn reizen, in Antiochië in Pisidië (13,16.26.43), in Thessalonica (17,4), in Athene (17,17). Vooral vrouwen bleken voor het Jodendom gewonnen te worden.
|