Controversen. (11,27-12,37)
Net als in 2,1-3,6 vinden we hier vijf verhalen over controversen van Jezus met zijn tegenstanders, (aangevuld met een parabel). De vijf verhalen verschillen van elkaar in toon en vorm.
Het gezag van Jezus. (11,27-33)
11,27 Zij kwamen wederom in Jeruzalem. Terwijl Hij rondwandelde op het tempelplein, traden de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten op Hem toe
28 en vroegen Hem: 'Welke bevoegdheid hebt Gij om dit alles te doen? En wie heeft U die bevoegdheid dan daartoe gegeven?'
29 Jezus antwoordde: 'Ik zal u een enkele vraag stellen en als gij Mij daar antwoord op geeft, zal Ik u op mijn beurt zeggen krachtens welke bevoegdheid Ik dit alles doe.
30 Het doopsel van Johannes, kwam dat van de hemel of van de mensen? Geeft Mij daar een antwoord op.'
31 Zij beraadslaagden onder elkaar: Als wij zeggen: van de hemel, dan zal Hij antwoordden: Waarom hebt gij hem dan geen geloof geschonken?
32 Maar zeggen we: van de mensen?... Zij waren bang voor het volk, want iedereen hield Johannes voor een profeet.
33 Zij gaven Jezus dus ten antwoord: 'Wij weten het niet.' Toen zei Jezus tot hen: 'Dan zeg Ik u evenmin krachtens welke bevoegdheid Ik zo handel.'
|
De bedoeling van de vraag van de tegenstanders is om Jezus te vangen op een publieke bewering dat zijn gezag van God kwam om hem zo van godslastering te kunnen beschuldigen (vgl 14,64). Jezus vermijdt zo een publieke vraag door een tegenvraag over de oorsprong van het gezag van Johannes de Doper. Zo wil Jezus zijn tegenstanders het zwijgen opleggen en tegelijkertijd de goddelijke oorsprong van zijn zending duidelijk maken.
11,27
|
"de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten".
|
Deze drie groepen werden al vermeld in de eerste lijdensvoorspelling (8,31). Ze zullen in de loop van het verhaal nog opduiken (14,43.53; 15,1) als de belangrijkste tegenstanders van Jezus. Het gaat hier over een kleine representatieve groep en niet over het hele Sanhedrin. Wellicht was de aanleiding voor hun vraag Jezus' tempelreiniging. (11,15-19).
|
11,28
|
"Welke bevoegdheid hebt Gij om dit alles te doen?"
|
"Dit alles" slaat waarschijnlijk op de tempelreiniging, maar misschien ook op de intrede in Jeruzalem of zelfs op heel het optreden van Jezus.
|
11,30
|
"Het doopsel van Johannes, kwam dat van de hemel of van de mensen?"
|
Achter Jezus' vraag zit de impliciete bewering dat het gezag van Johannes de Doper wel degelijk van God komt. Omdat Mc. steeds weer het parallellisme tussen het optreden van Johannes en van Jezus naar voren haalt is het ook een impliciete claim dat zijn werken van God komt.
|
11,31
|
"Als wij zeggen: van de hemel".
|
Als ze toegeven dat het gezag van Johannes van de hemel komt dan moeten zij ook uitleggen waarom zij hem niet gevolgd zijn en dan zouden ze ook Jezus' gezag als komende van God moeten erkennen. Als ze zouden zeggen dat het niet van God kwam dan liepen ze het risico van een algemene oppositie van het volk, dat hem algemeen voor een profeet hield. Daarom moeten ze wel zwijgen.
|
11,33
|
'Dan zeg Ik u evenmin krachtens welke bevoegdheid Ik zo handel."
|
Ook al lijkt het gesprek te eindigen in een impasse. In feit wordt erkend Jezus' gezag van God komt. De tegenstanders die Jezus wilden vangen werden zelf gevangen. Hun zwijgen maakt Jezus' overwinning nog duidelijker.
|
|