Mc. 12,13-17

Uit Theowiki

Belasting aan de keizer. (12,13-17)

12,13 Zij stuurden enkele Farizeeën en Herodianen op Hem af om Hem vast te zetten.
14 Deze kwamen bij Hem met de vraag: 'Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en U aan niemand stoort, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen, maar leert de weg van God in oprechtheid. Is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet? Zullen we betalen of niet betalen.'
15 Maar Jezus die hun huichelarij doorzag, antwoordde: 'Waarom probeert ge Mij te vangen? Geeft Mij een denarie, dan zal Ik eens zien.'
16 Zij deden het. Jezus vroeg hun nu: 'Van wie is deze beeldenaar en het opschrift? Ze antwoordden: 'Van de keizer.'
17 Daarop sprak Jezus tot hen: 'Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt.' En ze stonden verwonderd over Hem.

Hier gaat het over de geoorloofdheid om belasting aan de keizer te betalen. Ook al hebben zijn tegenstanders een mooie val gespannen toch weet Jezus eruit te blijven en weet hij hun vraag te gebruiken om onderricht te geven over de verhouding tot God.
Men mag deze tekst waarschijnlijk niet direct als een algemene uitspraak over de verhouding Kerk en staat interpreteren. Let op de context een aantal Joden vragen aan Jezus, ook een Jood, of het geoorloofd is belasting te betalen aan een Romeinse keizer. Jezus staat het hun toe (vgl. Mt. 17,24-27; Rom. 13,1-7; 1 Pet. 2,13-17), maar daagt zijn gehoor uit om even correct te zijn in het dienen van God als in het dienen van de keizer.

12,13 "enkele Farizeeën en Herodianen". De aanwezigheid van Herodianen in Jeruzalem is een beetje vreemd. Voor de overeenkomst tussen Farizeeën en Herodianen zie commentaar bij 3,6 /////. Omdat Herodes Antipas zijn macht ontleende aan de Romeinse bezetter zou een negatief antwoord van Jezus op de vraag uit 12,14 Jezus in conflict brengen met de Romeinen.
12,14 "Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en U aan niemand stoort". De complimenten waarmee ze Jezus begroeten dienen om Hem tot een direct antwoord te verleiden, vgl. 11,27-33 waar Hij geen antwoord geeft. Het motief is duidelijk om hem op de proef te stellen. Mc. noemt hen huichelaars (12,15)
"Is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?" De belasting κενσος was een Griekse transcriptie van census, de belasting die onderworpen gebieden moesten betalen aan Rome in Romeinse munt. Als Jezus positief antwoord dan verliest hij zijn gezicht bij de Joodse nationalisten en wordt hij beschuldigd van collaboratie met de vijand, als hij negatief antwoordt dan zal hij beschouwd worden als een rebel en een bedreiging van het Romeinse Rijk.
12,16 "Van wie is deze beeldenaar en het opschrift?" De denarius die men bij Jezus bracht zal het opschrift en beeldenaar van keizer Tiberius (14-37) gedragen hebben. Waarschijnlijk heeft erop gestaan: Tiberius Caesar divi Augusti filius Augustus.
12,17 "Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt." Jezus antwoordt hier op de vraag van 12,14 op een positieve manier, maar zij antwoord doet hem de val die opgezet is omzeilen. Immers de munten dragen de beeldenaar van de keizer en zijn dus eigendom van de keizer, belasting betalen is dus niets anders dan teruggeven aan de keizer wat reeds van hem is. Door toe te voegen dat men aan God moet geven wat aan God toekomt maakt Jezus van zijn antwoord een uitdaging aan de vraagstellers om even gewetensvol aan hun verplichtingen jegens God te voldoen.
"ze stonden verwonderd over Hem". De meeste commentatoren wijten de verbazing aan het feit dat Jezus zo goed ontsnapt aan de val, zonder dat hij teveel aanstoot geeft, ook al moeten de Joodse nationalisten zich aan zijn antwoord gestoord hebben. Misschien bestond hun verbazing er ook wel in dat Jezus deze vraag van het politieke niveau kon optillen tot het geestelijk niveau.