Mc. 14,1-11

Uit Theowiki

De dood van Jezus in Jeruzalem. (14,1-16,20)

Het evangelie volgens Mc. is beschreven als een passieverhaal met een lange inleiding. Deze opmerking laat zien hoe belangrijk het laatste deel van het evangelie is binnen het geheel van het werk. Jezus weet wat Hem te wachten staat. In het passieverhaal is Jezus de Lijdende Dienaar die zichzelf toont als koning van de Joden ondanks de spot en blindheid van Zijn tegenstanders. De leerlingen bereiken de bodem van hun afgang bij het verraad door Judas en de verloochening door Petrus.

De zalving en het Laatste Avondmaal. (14,1-31)

Het eerste stuk van het passieverhaal identificeert Jezus als de Messias (14,1-11), plaatst Zijn dood in de context van het Joodse paasfeest (14,12-16) en onderlijnt Jezus' zelfgave (14,17-31). Jezus weet wat er met Hem gebeurt en onderscheid zich duidelijk in positieve zin van zijn tegenstanders.

Samenzwering en zalving. (14,1-11)

14,1 Twee dagen later was het feest van Pasen en van het ongedesemde brood. De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten op welke manier zij Jezus door een list zouden kunnen grijpen en Hem ter dood brengen.
2 Want ze dachten: 'Niet op het feest; er mochten anders eens onlusten ontstaan onder het volk.'
3 Terwijl Jezus zich te Betanië bevond in het huis van Simon de Melaatse en daar aan tafel aanlag, kwam er een vrouw met een albasten vaasje echte, zeer dure nardusbalsem. Zij brak het vaasje stuk en goot de inhoud over zijn hoofd uit.
4 Sommigen waren er verontwaardigd over en zeiden onder elkaar: 'Waar is die verkwisting van de balsem nu voor nodig geweest?
5 De balsem had voor meer dan driehonderd denaries verkocht kunnen worden ten bate van de armen.' Toen zij tegen haar uitvoeren,
6 sprak Jezus: 'Laat haar met rust. Waarom valt ge haar lastig? Het is toch een goed werk dat zij aan Mij heeft gedaan.
7 Armen hebt gij altijd in uw midden en gij kunt hun weldoen wanneer ge maar wilt; maar Mij hebt gij niet altijd.
8 Zij heeft gedaan wat in haar macht was; zij heeft mijn lichaam op voorhand gezalfd met het oog op mijn begrafenis.
9 Voorwaar, Ik zeg u: waar ook ter wereld de Blijde Boodschap verkondigd zal worden, zal tevens ter herinnering aan haar verhaald worden wat zij gedaan heeft.'
10 Hierop ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de hogepriesters om Hem aan hen uit te leveren.
11 Dezen waren blij toen ze dat hoorden en beloofden hem geld. Hij zocht naar een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren.

Centraal in deze inleiding staat de zalving van Jezus door een onbekende vrouw (14,3-9), waarbij gewezen wordt op zijn waardigheid als Messias, "de gezalfde" en waarin ook vooruit gewezen wordt naar Zijn begrafenis. Haar geestelijk inzicht en generositeit wordt gecontrasteerd met de geestelijke blindheid van de hogepriesters en schriftgeleerden (14,1-2) en Judas (14,10-11). Centraal staat de christologische uitspraak in 14,7 waarin opgemerkt wordt dat de tijd waarin de Heer leeft bijzonder is.

13,1 "het feest van Pasen en van het ongedesemde brood". Het oude boerenfeest van de ongedesemde broden was in de loop der tijden gecombineerd met het paasfeest, de viering van de redding uit de slavernij in Egypte (vgl. Ex. 12,15-20; 34,18-20). Het begon op de 15de Nisan (maart-april) en duurde acht dagen.
"De hogepriesters en de schriftgeleerden". Sommigen van hen waren wellicht Sadduceeën omdat enkelen kennelijk de zorg voor de tempel hadden. De samenzwering van hogepriesters en schriftgeleerden is al aangegeven in 11,18 en 12,12.
14,2 "Niet op het feest". Omdat Pasen een feest was dat massa's volk naar Jeruzalem bracht zou de publieke terechtstelling van Jezus wel eens kunnen uitlopen op rellen of een volksopstand. De vraag blijft open of ze Jezus vóór of na het feest wilden arresteren. Het laatste lijkt het waarschijnlijkste. Judas' bereidheid om Hem over te leveren leidde ertoe dat hij tijdens he feest (volgens Mc.) gearresteerd werd of ervoor (wat historisch logischer lijkt).
14,3 "te Betanië, in het huis van Simon de Melaatse". Deze aanduiding is zo precies en gedetailleerd dat zij vrij zeker deel uitmaakte van het oorspronkelijke verhaal.
"een albasten vaasje". Dit was een rond parfumvaatje dat een soort zalf bevatte van een zeldzame Indische plant. Het kwam in Israël via de Nabateeërs. De geschatte waarde van "meer dan driehonderd denaries" (14,5) geeft aan dat het inderdaad heel duur was. Een denarie was ongeveer een dagloon.
"Zij brak het vaasje stuk en goot de inhoud over zijn hoofd uit." Bij Lc. 7,38 en Joh. 12,3 wordt gezegd dat ze het uitgoot over Jezus' hoofd. In ieder geval houdt het een erkenning in van het feit dat Jezus de Messias, de gezalfde, is. (vgl. 2 Kon. 9,6)
14,7 "Mij hebt gij niet altijd". Deze opmerking verklaart Jezus' tolerante houding van 14,6 en zijn beschrijving van de daad van de vrouw als zijnde goed. Deze zin gaat over de aanwezigheid van Jezus en niet over het permanente sociale probleem van armoede. De zalving door de vrouw heeft Hem aangewezen als Messias. Alleen zij en niet de hogepriesters, schriftgeleerden en ook niet Judas hebben de fysieke aanwezigheid van Hem begrepen. Het is een Christologische uitspraak zoals de uitspraken over de bruidegom in Mc. 2,19. Het is geen sociale commentaar.
14,8 "zij heeft mijn lichaam op voorhand gezalfd met het oog op mijn begrafenis". Nog een tweede interpretatie van de daad van de vrouw wordt gegeven. Deze heeft een directe band met Zijn dood en begrafenis. De Messias wordt aan het begin van het passieverhaal reeds gezalfd voor Zijn begrafenis.
14,9 "waar ook ter wereld de Blijde Boodschap verkondigd zal worden, zal tevens ter herinnering aan haar verhaald worden wat zij gedaan heeft." Haar verhaal zal een onderdeel zijn van het passieverhaal. De vrouw wordt hier niet met naam genoemd. Bij Joh. 12,3 wordt zij geïdentificeerd met Maria de zus van Martha en Lazarus.
14,10 "Judas Iskariot". Het verraad van Judas wordt hier gecontrasteerd met de trouw van de vrouw. Zijn initiatief geeft de hogepriesters en schriftgeleerden de mogelijkheid om hun complot uit te voeren.
14,11 "beloofden hem geld". De andere evangelisten zijn duidelijk over de motieven van Judas, geldzucht (Mt. 26,15), de Satan (Lc. 22,3) en Satan tezamen met een gewoonte om te stelen (Joh. 13,2; 12,6).