Jezus' eerste uitleg over de Christologie en het leerling-zijn. (8,31-9,29)
Na een wonderverhaal over wat het betekent om te leren zien (8,22-26) en nadat Jezus als Messias geïdentificeerd is (8,27-30) volgt nu uitleg over wat het betekent om Jezus de Christus te noemen en ook wat daarvan de implicaties zijn voor de leerlingen.
Eerste lijdensvoorspelling en het gevolg voor het leerling-zijn. (8,31-38)
31 Daarop begon Hij hun te leren, dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen worden en ter dood gebracht, maar drie dagen later verrijzen.
32 Hij sprak deze woorden zonder terughoudendheid. Toen nam Petrus Jezus terzijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden.
33 Maar zich omkerend keek Hij naar zijn leerlingen en voegde Petrus op strenge toon toe: 'Ga weg, satan, terug! want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.'
34 Nadat Hij behalve zijn leerlingen ook het volk bij zich had laten komen, sprak Hij tot hen: 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.
35 Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie, zal het redden.
36 Wat voor nut heeft het voor een mens de hele wereld te winnen als dit ten koste gaat van eigen leven?
37 Wat toch zou een mens in ruil kunnen geven voor zijn leven?
38 Als iemand zich schaamt over Mij en mijn woorden ten overstaan van dit overspelig en zondig geslacht, zal ook de Mensenzoon zich over hem schamen, wanneer Hij, vergezeld van de heilige engelen, komt in de heerlijkheid van zijn Vader.'
|
In 8,31-33 geeft Jezus uitleg over wat de aard van zijn Messias of Christus-zijn in zijn eerste lijdensvoorspelling. Petrus' verzet tegen de voorspelling geeft Jezus de aanzet om het onderricht over Zijn lijden, door en verrijzenis nogmaals te onderstrepen. 8,34-38 is verzameling van uitspraken over het leerling-zijn waarin het thema van het lijden voorop staat: de noodzaak van zelfverloochening (8,34), zijn leven verliezen (8,35) en de waarde van het eigen leven/ziel (8,36-37) en het niet beschaamd zijn voor de Mensenzoon (8,38). Kortom de christologie heeft gevolgen voor het leerling-zijn.
8,31
|
"dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden".
|
In plaats van Messias/Christus gebruikt Jezus hier Mensenzoon (vgl. 2,10.38) als Hij over zichzelf spreekt. "Zou moeten..." (Gr. δει) heeft de betekenis van een goddelijk moeten of anders gezegd een moeten binnen Gods plan. De mate waarin de verwoording van de drie lijdensvoorspellingen beïnvloed werd door wat er later gebeurde (vaticinia ex eventu) is moeilijk te zeggen. Dit betekent echter niet dat Jezus zijn dood niet voorspeld zou hebben en niet geweten zou hebben wat Hem in Jeruzalem te wachten stond.
|
|
"door de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden".
|
Er wordt hier niet verwezen naar de Farizeeën. In het lijdensverhaal van Mc. spelen de Farizeeën geen expliciete rol in Jezus' dood en verrijzenis.
|
|
"drie dagen later verrijzen".
|
Voor de betekenis van de derde dag als keerpunt, zie Hos. 6,2; Jona 1,17; 2,10. Het is mogelijk dat Jezus deze O.Tische achtergrond gebruikte tijdens zijn voorspelling. Het is mogelijk dat hij niet zo expliciet was als hier wordt weergegeven.
|
8,32
|
"Hij sprak deze woorden zonder terughoudendheid".
|
Voorheen werden alle speculaties over Zijn identiteit door Jezus afgewezen.
|
8,33
|
"en voegde Petrus op strenge toon toe: 'Ga weg, satan, terug!'"
|
Petrus' impulsief optreden komt overeen met de overige aanduidingen die we over zijn karakter krijgen in de synoptici. Het is overigens moeilijk voorstelbaar dat de jonge Kerk verzonnen zou hebben dat Jezus Petrus aansprak met Satan. Petrus verwoordt hier het verkeerde verstaan van Jezus dat Mc. wil corrigeren. Iedereen die het lijden, de dood en de verrijzenis van Jezus afwijst hoort bij de Satan (vgl. Mt. 4,10). Door Petrus Satan te noemen geeft Jezus aan dat die valse verstaan van zijn Messias-zijn een bekoring is (vgl. Job. 1-2; Zach. 3,1-2)
|
8,34
|
"behalve zijn leerlingen ook het volk".
|
Bij Mc. wordt het onderricht over het leerling-zijn publiek aan het volk gegeven, hierin worden toespelingen gemaakt op lijden, waarover alleen de kleine kring van leerlingen expliciet onderricht krijgt. 98,31-33)
|
|
"zijn kruis op te nemen".
|
De kruisiging is bekend bij de Joden, als de zwaarste straf die de Romeinse bezetter kent. Een veroordeelde moest de dwarsbalk van het kruis dragen (vgl. Mc. 15,21). Het beeld van het dragen van het kruis staat waarschijnlijk voor het zichzelf onderwerpen aan Gods macht zoals ook de veroordeelde zichzelf diende te onderwerpen aan het Romeinse gezag.
|
8,35
|
"wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie".
|
Het evangelie slaat hier niet op het boek van Mc. of op de andere evangelies. Het is de aanduiding van de Blijde Boodschap van Jezus of Jezus zelf.
|
8,37
|
"Wat toch zou een mens in ruil kunnen geven voor zijn leven?"
|
Het woord leven, in het Grieks: ψυχη, in het Hebr. nefesj staat hier voor het eigen ik of het werkelijke zelf. Enkel door Jezus te volgen kan de leerling zijn eigen zelf vinden, niets anders is belangrijker. In deze twee laatste zinnen werd traditiegetrouw vaak ziel vertaald, i.p.v. eigen leven.
|
8,38
|
"de Mensenzoon".
|
Jezus ziet zichzelf hier als de aanklager en advocaat voor God over w.b. de mensen met zijn boodschap gedaan hebben.
|
|
"dit overspelig en zondig geslacht".
|
Overspelig wordt gezegd in aansluiting bij uitdrukkingen van de profeten (Hos. 2,4v; Jes. 57,3v; Ez. 16,32v) omdat het het verbond dat als een soort huwelijk tussen God en Israël gezien werd heeft overtreden.
|
|