Mc. 9,1-13

Uit Theowiki

Jezus' gedaanteverandering en de vraag over Elia. (9,1-13)

9,1 Hij sprak tot hen: 'Voorwaar, Ik zeg u: onder de hier aanwezigen zijn er die de dood zullen ervaren, voordat zij zien dat het Rijk Gods is gekomen in kracht.'
2 Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en bracht hen boven op een hoge berg, waar zij geheel alleen waren. Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd:
3 zijn kleed werd glanzend en zo wit als geen volder ter wereld maken kan.
4 Elia verscheen hun samen met Mozes en zij onderhielden zich met Jezus.
5 Petrus nam het woord en zei tot Jezus: 'Rabbi, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.'
6 Hij wist niet goed wat hij zei, want ze waren geheel verbluft.
7 Een wolk kwam hen overschaduwen en uit die wolk klonk een stem: 'Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem.'
8 Toen ze rondkeken, zagen ze plotseling niemand anders bij hen alleen dan Jezus.
9 Onder het afdalen van de berg verbood Jezus hun aan iemand te vertellen wat ze gezien hadden, voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan.
10 Zij hielden het inderdaad voor zich, al vroegen zij zich onder elkaar af, wat dat opstaan uit de doden mocht betekenen.
11 Aan Jezus stelden zij de vraag: 'Waarom zeggen de schriftgeleerden toch dat eerst Elia moet komen?'
12 Hij antwoordde hun: 'Elia komt eerst om alles te herstellen. Maar wat staat er geschreven over de Mensenzoon? Dat Hij veel zal lijden en veracht zal worden.
13 Maar Ik zeg u: Elia is al gekomen en zij hebben naar willekeur met hem gehandeld, zoals over hem geschreven staat.'

9,1-8 toont de glorierijke identiteit van Jezus. Hij is de geliefde Zoon van God. Het tweede deel 9,9-13 plaatst dit goddelijke zoonschap in de context van de Joodse verwachtingen over het Koninkrijk en de verrijzenis. Het tweede deel over Elia brengt de glorievolle aspecten van Jezus weer in evenwicht met de verwijzingen naar Zijn dood en verrijzenis, waar het lot van Jezus in verband gebracht wordt met het lot van Johannes de Doper. Weer houdt Jezus zijn leerlingen voor dat waar de Meester gaat ook de leerling moet volgen.

9,1 "voordat zij zien dat het Rijk Gods is gekomen in kracht". De meest duidelijke betekenis zou wel zijn dat dit slaat op de volheid van Gods koninkrijk aan het einde der tijden. Toch zal het Rijk komen voor het zo ver is. Hier slaat het misschien op de anticipatie van het komen van het Rijk in de dood en verrijzenis van Jezus (vgl. 8,31), het oordeel (8,38) of de gedaanteverandering (9,2-8). Het meest waarschijnlijke is dat Mc. de gedaante verandering ziet als een anticipatie of voorafbeelding van het uiteindelijke komen van het Rijk Gods en dus dat wat volgt een commentaar is op 9,1.
9,2 "Zes dagen later". Dit kan een tijdsreferentie zijn uit de oorspronkelijke teksttraditie.
"Petrus, Jakobus en Johannes". Vgl. de commentaar bij 5,37. Bij Lc. lezen we dat Jezus de berg opging om er te bidden. Mc. vermeldt geen reden waarom de Heer de berg op ging.

Meestal wijst men de bergen Tabor of Hermon aan als de plaats waar dit gebeurde. Een berg is vaak de plaats van een bovennatuurlijke openbaring en theofanie.

"Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd". De leerlingen krijgen een glimp te zien van Jezus in Zijn verheerlijkte toestand, deze toestand is zijn blijvend deel na zijn dood en verrijzenis (vgl. 2 Kor. 3,18). Misschien is er ook wel een band met de verheerlijking van Mozes (vgl. Ex. 34,29).
"wit kleed". vgl. Dan. 7,9; Hand. 1,10; Ap.3,4-5; 4,4; 7,9.
9,4 "Elia verscheen ... samen met Mozes". Als deze twee figuren uit het O.T. de wet en profeten representeren dan is de volgorde vreemd (vgl. Mt. 17,3). Misschien is de verwijzing dat zij beiden opgenomen zijn in de hemel (2 Kon. 2,11; Dt. 34,6) of hun rol bij de komt van het Koninkrijk (vgl. Mal. 3,23-24; Dt. 18,15.18)
9,5 "Rabbi, het is goed dat wij hier zijn." Het feit dat Jezus als rabbi aangesproken wordt is vreemd, Mt. 17,4 spreek over "heer" en Lc. 9,33 over "Meester". De reden waarom zij willen blijven is de glorievolle aard van de ervaring. Petrus' suggestie om drie tenten te bouwen is bedoeld om de ervaring langer te laten duren. Waarschijnlijk zit er ook een verwijzing in naar het Loofhuttenfeest (vgl. Lev. 23,39-43).
9,7 "Een wolk kwam hen overschaduwen". Door de verwijzingen naar Ex. hier lijkt het het best om de wolk te zien als het teken van Gods aanwezigheid zoals ook in Ex. 16,10; 19,9; 24,15-16; 33,9. De stem uit de wolk is de stem van God.
"Dit is mijn Zoon, de Welbeminde". De stem uit de hemel vult de belijdenis van Petrus uit 8,29 aan en verwijst naar de doop van de Heer (1,11). De opdracht om haar hem te luisteren slaat hier misschien op Zijn lijdensvoorspellingen (8,31; 9,31;10,33-34).
9,8 "niemand anders .... dan Jezus". De ervaring eindigt heel abrupt. Het is een voorafbeelding van Jezus' eeuwige glorie. Maar voor Hij in die eeuwige glorie komt moet Hij opgaan naar Jeruzalem.
9,9 "Onder het afdalen van de berg". Deze zin verbindt het gesprek over Elia's terugkomst met het verhaal van de gedaanteverandering, waardoor deze laatste een duidelijkere band met Jezus' lijden krijgt.
"voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan". In tegenstelling tot alle andere opdrachten om te zwijgen heeft deze opdracht kans van slagen omdat het slechts over drie leerlingen gaat en over een beperkte tijd.
9,10 "al vroegen zij zich onder elkaar af, wat dat opstaan uit de doden mocht betekenen". De vraag van de leerlingen was kennelijk hoe Jezus zou kunnen opstaan uit de doden, los van de algemene verrijzenis van de doden die zou komen bij de komst van het Rijk Gods.
9,11 "Waarom zeggen de schriftgeleerden toch dat eerst Elia moet komen?" Volgens Mal.,23-24 zou de komst van Elia de komst van de grote en verschrikkelijke dag van de Heer voorafgaan. De vraag van de leerlingen was hoe Jezus van de doden zou kunnen opstaan zonder dat Elia eerst zou komen.
9,12 "Dat Hij veel zal lijden en veracht zal worden". Terwijl Jezus bevestigt dat Elia eerst moet komen bevestigt Hij ook dat Zijn eigen lijden en dood zijn verrijzenis/opstanding zal voorafgaan.
9,13 "Elia is al gekomen". Deze uitspraak identificeert Johannes de Doper als Elia. Het lot van Johannes de Doper is overigens ook een voorafbeelding van het lot van Jezus, de Mensenzoon.