Inleiding op het tijdperk van de Kerk. (1,1-26)
Hand. 1 is de inleiding op de Hand. Het vormt tevens de overgang tussen de tijd van Jezus en de tijd van de Kerk. Dit vinden wij ook in de structuur van dit hoofdstuk. Hand. 1,1-2 begint met een verwijzing en overzicht van het eerste boek (Lc.), dat direct overloopt in het verhaal van het tweede boek (1,3).
Het punt van verbinding tussen Lc. en Hand. is natuurlijk de Pasen-Hemelvaart cyclus. Dit wordt opnieuw verteld en uitgewerkt in 1,3-14 (vgl. Lc. 24,36-53). In Hand. ligt het accent niet op de afsluiting van een periode zoals in Lc., maar op het begin van een nieuwe periode. Het feit dat Lc. en Hand. elkaar overlappen in het vertellen van het Paasgebeuren bevestigt dat het oorspronkelijk geen twee losse boeken waren, maar dat het vanaf het begin twee duidelijk samenhangende boeken zijn die en samen één verhaal willen vertellen.
De parallel met Lc. geeft aan dat de cesuur in hoofdstuk 1 pas na 1,14 komt, omdat 1,12-14 nl. Lc. 24,52-53 herneemt.
Het eerste hoofdstuk kunnen we dus in twee verdelen 1,1-14 en 1,15-26. Beide secties presenteren twee noodzakelijke stappen om de tijd van de Kerk te incorporeren in het grote geheel van de heilsgeschiedenis. (1) de voorbereiding van de getuigen en de zending door Christus en (2) de ontwikkeling en uitbreiding als een formeel door God erkende heilige gemeenschap, vergaderd rondom de cirkel van de Twaalf “getuigen van de verrijzenis”.
De opdracht aan de getuigen van de verrijzenis en de hemelvaart van Jezus. (1,1-14)
Proloog. (1,1-8)
1,1 Het eerste boek, dat ik geschreven heb, Teofilus, ging over alles wat Jezus gedaan en geleerd heeft
2 tot aan de dag waarop Hij zijn opdracht gaf aan de apostelen die Hij door de heilige Geest had uitgekozen, en ten hemel werd opgenomen.
3 Na zijn sterven toonde Hij hun met vele bewijzen dat Hij in leven was. Hij verscheen hun gedurende veertig dagen en sprak met hen over het Rijk Gods.
4 Terwijl Hij met hen at, beval Hij hun Jeruzalem niet te verlaten maar de belofte van de Vader af te wachten, 'die gij van Mij vernomen hebt:
5 Johannes doopte met water, maar gij zult over enkele dagen gedoopt worden met de heilige Geest.'
6 Toen zij eens bijeengekomen waren stelden zij Hem de vraag: 'Heer, gaat Gij in deze tijd voor Israël het koninkrijk herstellen?'
7 Maar hij gaf hun ten antwoord: 'Het komt u niet toe dag en uur te kennen, die de Vader in zijn macht heeft vastgesteld.
8 Maar gij zult kracht ontvangen van de heilige Geest die over u komt, om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria en tot het uiteinde der aarde.'
(Hand. 1,1-8)
|
1,1
|
“Het eerste boek dat ik geschreven heb”.
|
Evenals aan begin van zijn evangelie, begint Lukas hier met een korte inleiding. Hij vat kort de inhoud van zijn vorig (eerste) boek (het evangelie) samen.
|
|
“Teofilus”.
|
Dit boek is evenals het Evangelie toegewijd aan een zekere Teofilus. Hij kan een reële figuur zijn en dan vermoedelijk een Christen met een zekere eruditie. Waarschijnlijk echter, en de betekenis van zijn naam suggereert dat, is hij een fictieve figuur die staat voor elke Christen. De naam Teofilus betekent: vriend van God.
Het evangelie ging over "alles wat Jezus gedaan en geleerd heeft". Hierbij kunnen wij opmerken dat een evangelie geen biografie, geen karakterbeeld van Jezus is, maar een voorstelling van zijn openbaar optreden, dat uiteraard uit woorden en daden bestond (vgl. Lk. 24,19). Met daden zijn niet enkel zijn wonderen bedoeld, maar heel optreden, zijn passie, zijn houding tegenover zieken, zondaars, enz. .
opmerking (niet-exegetisch): Gods Openbaring is altijd gebeurd in woorden én daden. (Vgl. DV 2; LG 35)
|
|
“Alles”.
|
natuurlijk heeft Jezus meer gedaan en gezegd dan in het evangelie van Lukas staat opgetekend. Toch is hij ervan overtuigd dat hij het wezenlijke volledig heeft opgetekend.
|
1,2
|
"Tot aan de dag ..."
|
het evangelie van Lukas eindigt met de zending van de apostelen (Lk. 24,47-51) en de hemelvaart.
|
|
"Die Hij door de H. Geest had uitgekozen"
|
Lk. 4,1. Jezus koos de apostelen uit in de kracht van de H. Geest. Hier is het duidelijk een terugwijzen naar Lc. 24,44-49. Nb. of het hier slaat op de uitverkiezing dan wel op zending blijkt niet duidelijk uit het Grieks.
|
1,3
|
"Na zijn sterven"
|
Lett. "na zijn lijden" (μετὰ τὸ παθεν). Het lijden παθεν van de Heer slaat bij Lc. op zijn hele lijden en dood (Lc. 22,15; 24,26.46; Hand. 3,18; 17,3; 26,23).
Hier wordt nog eens vermeld dat de Heer verscheen na zijn verrijzenis. ->Pasen.
In het Lukas-evangelie wordt dit uitgebreid verteld (Lk. 24). Lukas zegt ook heel duidelijk dat de Heer pas na veertig dagen naar de hemel ging. Dit is de enige plaats waar dit duidelijk is. Veertig kan letterlijk bedoeld zijn of het kan een diepere betekenis hebben. Het getal 40 heeft een diepere betekenis in de Schrift. De zondvloed duurde 40 dagen (Gen. 7,17), de tocht door de woestijn duurde 40 jaar (Ps. 95,10), Mozes was 40 dagen op de berg Sinaï (Ex. 24,8), Elisa liep 40 dagen en nachten gesterkt door het brood dat God hem gezonden had (1 Kon. 19,8). De Heer vastte 40 dagen (Lc. 4,2.14-15).
Nb. Lukas is ook de enige die spreekt over de hemelvaart als een zichtbaar heengaan van de Heer.
De Heer verscheen alleen aan de leerlingen (Maria Magdalena, de vrouwen, apostelen, vrouwen, Emmaüsgangers, Thomas, 500 broeders ...) om hen van de werkelijkheid van de verrijzenis te overtuigen.
|
|
"Met vele bewijzen"
|
(ἐν πολλος τεκμηρίοις) 'bewijzen' of 'tekenen'. Zo noemt Lukas deze verschijningen. Hiermee wordt de waarheid van het Christendom onderlijnd. Nergens scherper geformuleerd dan bij Paulus 1 Kor. 15,14-15.
|
|
"verscheen ... en sprak hen over het Rijk Gods"
|
wat hier precies mee bedoeld is kunnen wij raden. Jezus zal wel gesproken hebben over de noodzaak van Zijn dood en over de toekomst van de Kerk ... . Het "verschijnen" en "spreken" is zeker een echo van Lc. 24. (vgl. 24,25-27 en 44-49)
|
1,4
|
"Terwijl Hij met hen at"
|
Deze betekenis van συναλιζόμενος wordt bevestigd door Lc. 24,43 en Hand. 10,41 (συνεφάγομεν). Het enkelvoud en praesens laten niet toe om het als "samen komen" te vertalen, wel als "samen eten". Vermoedelijk gebeurde dit in Jeruzalem. Het eten met de verrezene is ook een teken van Zijn werkelijke verrijzenis. Hij beveelt hen in Jeruzalem te blijven tot aan de komst van de H. Geest, die hen beloofd is (ook 2,33) en Die zal ook komen (Hand. 2).
Jeruzalem is het ruimtelijke (geografische) symbool van de continuïteit tussen de tijd van Jezus en de tijd van de kerk, net zoals de Twaalf rondom de Heer dat ook zijn.
Lc. heeft in zijn werk de vlucht van de leerlingen van Jezus (Mc. 14,50-52) weggelaten, evenals alles wat wijst op verschijningen in Galilea (Mc. 16,7 en Lc. 24,7). Lc. maakt Jeruzalem tot centrum van de hele gebeurtenissen van passie-tot-Pinksteren en tot centrum van de traditiedragers, de Twaalf (vgl. 2,43; 5,16.28l 8,14; 16,4). Dit blijft zo zelfs nadat de vervolging de rest van de gemeente zal verdrijven (8,1). De centrale plaats van Jeruzalem bij Lc. benadrukt de continuïteit tussen Israël en de Kerk (het nieuwe Israël). Lc. gebruikt hierbij het schema van de profeten-moordenaars (Lc. 13,33-35; 18,31 [Mc. 10,33]); Hand. 13,27-28). Hierdoor wordt Jeruzalem ook de eerste plaats waar de verkondiging van het Evangelie berouwvolle zondaars (profetenmoordenaars) tot bekering brengt (Lc. 24,47; Hand. 2,36-041; 3,17-21) en waar de Kerk haar eerste succes kent, onder het voorteken reeds van vervolging.
|
|
"de belofte van de Vader af te wachten"
|
Dit is een hernemen van Lc. 24,49. De vervulling van deze belofte (ἐπαγγελίαν, vgl. Gal. 3,14; Ef. 1,13) vindt zijn vervulling in 2,33, waar de toespraak van Petrus afgerond wordt. De toespraak begon met de belofte uit het boek Joël (3,1-5;2,17-21) uit het O.T., in Lc. 11,13 is deze belofte een logion van Jezus.[1]
|
|
"die gij van mij vernomen hebt"
|
Deze overgang van indirecte naar directe rede is een redactionele techniek (vgl. Lc. 5,14; Hand. 14,22; 17,3; 23,22; 25,5) en komt in het Helleense taalgebruik vaak voor.
|
1,5
|
"gij zult ... gedoopt worden met de heilige Geest"
|
Het hele boek van de Handelingen gaat over de werking van de H. Geest. Over de manier waarop Hij de jonge Kerk leidt en leven geeft. De "belofte" uit 1,4 wordt hier verwoord in het bekende logion van Jezus over Johannes de Doper (Mc. 1,8; 11,16), dat hier geactualiseerd wordt met de toevoeging "over enkele dagen". De analogie tussen het doopsel door Johannes en de uitstorting van de H. Geest over de leerlingen van Jezus is duidelijk. De samenhang tussen het doopsel met water en de uitstorting van de H. Geest (vgl. Ez. 36,25-26; Joh. 7,37-39) vinden wij ook in 2,38; 8,14-16; 10,47-48; 19,5-6. Het hernemen van de profetie van Johannes in verbinding met Pinksteren (hier en in 11,16) toont de vervulling van de profetie en maakt Johannes de Doper tot heraut van de Kerk én van de Messias (=Gezalfde).[2]
|
1,6-8
|
|
Het gesprek in 1,6-8 is de kern van de inleiding van dit boek. De vraag "Heer, gaat Gij in deze tijd .." is de verwijzing naar wat gaat volgen in dit boek. Het antwoord op deze vraag is het hele boek Hand. dat deze weking schildert in het zich-steeds-verbredende geografische schema: "in Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria en tot het uiteinde der aarde." (1,8b)
|
1,6
|
"Heer, gaat Gij in deze tijd ..."
|
de apostelen hadden het nog niet begrepen dat het Rijk van Jezus niet van deze aarde is. Zij zaten nog vast aan het begrip dat het Rijk Gods, het Rijk van de Messias van deze wereld zou zijn. Denk bv. aan het passieverhaal, waarin Hem gevraagd wordt of Hij koning van de Joden is.
De leerlingen dachten ook dat de komst van dat Rijk Gods tegelijk met de komst van de Geest zou plaatsvinden.
|
|
"deze tijd"
|
moet de tijd zijn uit 1,5 ("over enkele dagen"). Het gaat dus over de tijd die begint met Pinksteren en daarom gaat de vraag dus over de nieuwe periode na Pinksteren, deze periode wordt in 2,17 aangeduid als "in de laatste dagen". Deze vraag kan dus niet de bedoeling hebben om de tijd van de Kerk te "de-eschatologiseren".
|
|
"voor Israël het koninkrijk herstellen"
|
vgl. Jer. 33,7; Ps. 14,7; 85,2; Hos. 6,11 en Sir. 48,10.
"herstellen" (ἀποκαθιστάvω) wordt hier gebruikt. In 3,21 wordt dit woord gebruikt voor het "het herstel van alle dingen" (ἀποκαταστάσις πάντων). Het gaat dus ook over het hele proces van de laatste dagen. Immers voor Lucas houdt het realiseren van de "hoop van Israël" ook de toegang van de heidenen (Hand. 15,14-19) in, Paulus zal zich hiervoor inzetten (28,20).
|
1,7
|
|
Jezus zegt hen echter dat het hun niet toekomt te weten wanneer het Rijk Gods hersteld wordt. Dat komt alleen aan de Vader toe. Het is een vast gegeven in het N.T. dat men de dag van de wederkomst van de Heer niet kan berekenen (Mc. 13,32; 1 Thes. 5,1).
|
|
"dag en uur"
|
(χρόνοι ἢ καιροι) De twee Griekse woorden (vgl. 1 Thes. 5,1) duiden respectievelijk de tijdsduur aan en de gunstige momenten. Beiden zijn het exclusieve recht van God om te weten. (Vgl. over dit thema ook 3,20-21)
|
1,8
|
|
Wel zegt Hij dat zij "de kracht van H. Geest zullen ontvangen" en dat zij getuigen zullen moeten zijn tot aan het einde van de wereld. Hier wordt de geografische opbouw van de Handelingen gegeven: Jeruzalem ->Judea en Samaria ->hele wereld. In feite ligt hier het universele karakter van de boodschap al in besloten. Dit lag ook al verborgen in het O.T. .[3] Kennelijk wordt Rome gezien als het einde van de wereld in dit verband.
"om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria en tot het uiteinde der aarde":
De belofte van de Geest is verbonden met de opdracht om getuigenis te geven. ἔσεσθέ μου μάρτυρες. Het woord voor getuige is μάρτυς. Dit woord wordt later m.n. gebruikt voor de bloedgetuigen van de Heer. Het getuigenis-geven zal de eigenlijke taak van de apostelen worden. (Lk. 24,46-48; Hand. 1,22; 2,32; 3,15; 4,33; 5,32; 10,39.41; 13,31). Het is duidelijk dat de apostelen optreden in de kracht van de Geest, als Gods gezanten. Het "uiteinde der aarde" impliceert de zending, missie van de Kerk en leidt uiteindelijk tot Rome, de hoofdstad van de heidense wereld, het uiteinde voor Lc.
|
Voetnoten
- ↑ “een logion van Jezus”: deze uitdrukking wordt gebruikt voor een woord dat Jezus zelf speekt in het N.T. .
- ↑ Term van toepassing op de komende leider en bevrijder van Israël in: 1 Sam. 2,10; Ps. 2,2; Dan. 9,25. Messiasverwachting in het O.T. en N.T..
- ↑ “Op het einde der dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van Jahwe vast zal staan als de eerste der bergen, verheven boven de heuvels; en alle volken stromen naar hem toe, naties gaan op weg en zeggen: `Komt, laat ons gaan naar de berg van Jahwe, naar het huis van Jakobs God: dan zal Hij ons zijn wegen wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen. Ja, uit Sion komt Gods onderricht, uit Jeruzalem het woord van Jahwe.'” (Jes. 2,2-3)
|