Het herstel van de Twaalf (Mattias). (1,15-26)
1,15 In die dagen stond Petrus op te midden van de broeders - er was een groep van ongeveer honderdtwintig personen bijeen - en sprak:
16 'Mannen broeders, het Schriftwoord moest in vervulling gaan, dat de heilige Geest door de mond van David tevoren gesproken heeft over Judas, die de gids is geworden van hen die Jezus gevangen namen.
17 Hij behoorde tot ons getal en had aan dit dienstwerk zijn deel gekregen.
18 Deze nu heeft zich met het loon van zijn misdaad een stuk grond verworven; hij stortte voorover, barstte open en al zijn ingewanden kwamen eruit.
19 Dit werd bekend aan alle inwoners van Jeruzalem, zodat die akker in hun taal Akeldama, dat is bloedakker heet.
20 Er staat immers geschreven in het boek der psalmen: Zijn woonplaats worde een woestenij en niemand wone er meer en ook: Een ander neme zijn ambt over.
21 Dus moet een van de mannen die tot ons gezelschap behoorden gedurende de tijd dat de Heer Jezus onder ons verkeerde,
22 vanaf het doopsel van Johannes tot de dag, waarop Hij van ons werd weggenomen, met ons een getuige worden van zijn verrijzenis.'
23 Men stelde er twee voor: Jozef ook Barsabbas geheten, bijgenaamd Justus, en Mattias.
24 Toen baden zij als volgt: 'Gij Heer, die aller harten kent, wijs degene aan die Gij van deze twee hebt uitverkoren
25 om de plaats te bezetten in dit dienstwerk en apostelambt, waaraan Judas ontrouw werd om heen te gaan naar zijn eigen plaats.'
26 Toen liet men hen loten en het lot viel op Mattias. Hij werd toegevoegd aan de groep van de elf apostelen.
(Hand. 1,15-26)
|
In deze pericope vinden wij twee componenten, die met elkaar verweven zijn, nl. (1) een traditie over de dood van Judas (1,18-20) en (2) een relaas over de opname van de opvolger van Judas in de kring van de Twaalf (1,23-26). De link tussen beide zijn twee citaten uit de Ps. in 1,20.
|
1,14
|
"In die dagen"
|
De episode wordt geplaatst tussen de hemelvaart en Pinksteren en dient ook om de continuïteit tussen beide gebeurtenissen en de tijdvakken aan te geven. Wij vinden andere scenes met uitverkiezing in Lc. 6,12; Hand. 6,1.
|
|
"stond Petrus op"
|
Het opstaan (ἀναστὰς) duidt vaak het begin van spreken aan (13,16; 15,7). Petrus het door allen erkende, en door Christus aangewezen hoofd van de Kerk (Mt. 16,19; Lk. 22,32; Hand. 2,37; 3,4.6.12; 4,8 enz.) nam het woord om de lege plaats door het verraad van Judas Iskariot ontstaan op te vullen. Toen later Jakobus de zoon van Zebedeüs stierf, onthoofd door Herodes, in het jaar 42 (zie 21,1) toen werd het apostelcollege niet meer aangevuld omdat hij bij de uitoefening van zijn apostelambt stierf en niet zoals Judas door verraad vooraleer zij de H. Geest ontvangen hadden.
Volgens Mt. 19,28 en Lk. 22,28-30 heeft Jezus aan zijn 12 leerlingen beloofd dat zij bij Zijn wederkomst eveneens op twaalf tronen zullen zetelen en de twaalf stammen van Israël zullen oordelen, waarschijnlijk is dit een van de redenen om het college aan te vullen.
|
|
"broeders"
|
Broeders is de titel die de Christenen zich onder elkaar gaven. Ook Paulus spreekt in zijn brieven zijn mede-Christenen meestal als broeders aan. (1 Kor. 1,10)
|
|
"ongeveer honderdtwintig"
|
Dit gaat over ca 120 mannelijke (?) personen. Zo groot moet blijkbaar het aantal volgelingen van de Heer al geweest zijn. Mogelijk is het ook een verwijzing naar 10 x 12. Ook al denkt Lc. misschien niet aan de "leiders van tien" (Ex. 18,12; 1 Macc. 3,55), de tienvoudige structuur van de leerlingen rond de leiders, geeft de relatie tussen de leerlingen en de Twaalf aan. De Twaalf waren door Jezus als eersten uitgekozen (Lc. 6,17).
Lc. wil de Twaalf en het hele gebeuren duidelijk schilderen in continuïteit met de voorafgaande Heilsgeschiedenis, de twaalf stammen van Israël, enz. Vergelijk 2,14 en 36 waar Petrus op Pinksteren zich richt tot "heel het huis van Israël".
|
1,16
|
"Mannen broeders"
|
Merk op hoe voorzichtig Petrus begint. Hij beroept zich via citaten op de Schrift als hij spreekt over het lot van Judas. Het gebruik van "broeders" wil het broederlijke gevoel van de samenkomst onderlijnen.
|
|
""het Schriftwoord moest in vervulling gaan dat de heilige Geest door de mond van David tevoren gesproken heeft"
|
Petrus ziet de gebeurtenissen rond Judas' verraad alspassente in Gods plan. David wordt hier als de auteur van alle psalmen gezien. Dat was de algemeen gangbare opvatting tot in de moderne tijd.
|
|
"Judas, die de gids is geworden van hen die Jezus gevangen namen"
|
Vgl. Lc. 22,47.
|
1,17
|
"Hij behoorde tot ons getal"
|
Vgl. Lc. 22,3 (Mc. 14,10).
|
1,18v
|
|
De dood van Judas wordt beschreven. Dit relaas wijkt af van Mt. 27,3-10 volgens welk Judas zich verhing en de akker "Bloedakker" heette omdat hij gekocht was met bloedgeld.
Hier wordt afschuwelijk einde van Judas beschreven, en een andere verklaring voor de naam van de zogenaamde bloedakker gegeven, nl. bloed van de eigenaar doordrenkte hem. Blijkbaar zijn dit twee verschillende mondelinge tradities. Het lijkt moeilijk om de twee verhalen te combineren.
Nog een ander relaas vinden wij in een Papias-fragment te vinden bij Apollinaris van Laodicea.[1] Deze tekst probeert geforceerd beide verhalen te combineren.
|
1,19
|
"zodat die in hun taal Akeldama ... heet"
|
Deze toevoeging is duidelijk van de hand van de auteur (Lukas), misschien is heel de toespraak van Petrus wel een compositie van zijn hand. Hier is de etiologie van (haqel-dema) gebaseerd op de manier van sterven van Judas en niet op de manier waarop de grond verworven werd, nl. met "bloedgeld" (Mt. 27,4v). Bij Lc. is het "bloed" in kwestie het bloed van de verraden (Judas), bij Mt. dat van de verradene.
|
1,20
|
"Zijn woonplaats worde een woestenij en niemand wone er meer"
|
Dit is Ps. 69,26. Psalm 69 is een bede van de rechtvaardige dat God zijn vijanden mag straffen. Deze psalm speelt ook mee (69,22) in de passietraditie, nl. "gaven mij azijn toen ik verdorstte".
|
|
"Een ander neme zijn ambt over"
|
Met een citaat van Ps. 109,8 meent Petrus op het aanvullen van het apostelcollege te moeten aandringen.
|
1,21-22
|
|
Hier vinden wij Lucas' theologie over het apostel-zijn.
|
|
“vanaf het doopsel van Johannes”
|
Als voorwaarde stelt Petrus dat het een man moet zijn die "vanaf het doopsel van Johannes" (voor de datering zie: Christelijke jaartelling) tot aan de hemelvaart een getuige is geweest van wat Jezus gedaan heeft (ook 10,37-41). Want alleen zo iemand stond op gelijk niveau met de oorspronkelijke apostelen en kon zoals zij getuigenis afleggen van Jezus' woorden en daden. Twee mannen voldoen aan deze voorwaarde, van het getuige zijn van al deze zaken, en men werpt het lot, een manier door de tempelcultus geheiligd (Lk. 1,9; Joh. 1,7). Kenmerken van een apostel zijn dus dat hij vanaf het begin getuige is van woorden en daden van de Heer en dat Hij de identiteit tussen de verrezen Christus en de Jezus die zij gevolgd zijn kunnen betuigen.
|
|
"getuige worden van zijn verrijzenis"
|
Het doel is om in vereniging met de rest van de Kerk en apostelen "getuige worden van zijn verrijzenis". De apostel Paulus later zal een uitzondering zijn op de regel dat een apostel ook Jezus tijdens diens openbaar leven gekend moet hebben. Let wel wij mogen hier niet veronderstellen dat Lc. een definitie van het apostel-zijn wil geven, maar kennelijk vooral om te verwijzen naar de bron van het kerkelijke/apostolische gezag en de traditie.
|
1,23
|
"Jozef ook Barsabbas geheten, bijgenaamd Justus, en Mattias"
|
Over beide horen we verder niets in het N.T. en hebben wij geen betrouwbare gegevens uit niet-bijbelse bronnen. De uitgebreide vermelding van Barsabbas en zijn Palestijnse achtergrond zet de lezer op het verkeerde been omdat men zou verwachten dat net hij gekozen zou worden.
|
1,24
|
"bad"
|
Eerst echter bad de gemeente. Dit staat in verbinding met het gebed van de groep (1,14)
|
|
"Gij Heer, die aller harten kent..."
|
Hierbij spreekt de gemeente God aan als "hartenkenner" of "Gij Heer, die aller harten kent...". D.w.z. als degenen die het binnenste van de mensen kent, waar de wezenlijke beslissingen vallen (ook 15,8; Lk. 16,15; Rom. 8,27; 1 Thess. 2,4; Ap. 2,23).
|
1,25
|
"om de plaats te bezetten in dit dienstwerk en apostelambt"
|
(λαβεν τὸν τόπον τς διακονίας ταύτης καὶ ἀποστολς), het woord voor dienstwerk waarmee het werk van de apostelen wordt omschrijven is diakonia. (ook in 1 Kor. 12,5.28; Ef. 4,11-12). Dat is hier nog geen kerkelijk ambt.
|
|
"Naar zijn eigen plaats"
|
Vermoedelijk is hier Judas' eigen stuk grond bedoeld waarop hij blijkbaar stierf (1,18). Het kan ook dat het hier gaat over de hele "de plaats van pijniging" (Lk. 16,28).
|
1,26
|
"Toen liet men hen loten"
|
Het werpen van het lot komt in het O.T. voor (Lev. 16,8; Jona 1,7), ook de verdeling van de taken van de priesters in de tempel gebeurde door het werpen van het lot (vgl. Zacharias in Lk. 1,9). In het N.T. komt het verder niet voor. Met deze handeling wilde men alles aan God voorleggen en zelf geen keuze maken. Hij werd in 24 genoemd: "Gij Heer, die aller harten kent" (καρδιογνστα πάντων).
|
De belangrijkste taak van de apostelen is te getuigen van de verrijzenis van de Heer (1,22) en het Volk Gods te verzamelen. Dit doen zij door de bediening van het woord (6,4). Door preken tot het volk (2,14-40; 3,12-26; 4,2.33; 5,20-21), te getuigen voor de vijanden van het Evangelie (4,5-31; 5,27-41). Hun woord wordt net zoals dat van de Heer ondersteund door wonderen en tekenen (2,14-21.43; 3,1-11.16; 4,8-12.30; 5,12.15-16; 9,31-43). Zij hebben ook een rol in het leiden van de Kerk. (4,35; 6,2)
Nu het apostelcollege weer voltallig is kan de H. Geest komen.
|
Voetnoten
- ↑ In Duitse vertaling: "1.Von Apollinaris: Nicht durch Erhängen starb Judas, sondern er lebte weiter, da er vor dem Ersticken heruntergeholt worden war. Und dies bezeugt die Apostelgeschichte, daß er kopfüberstürzend in der Mitte aufplatzte, und seine Eingeweide quollen heraus. Dies erzählt deutlicher Papias, der Schüler des Johannes, der im vierten Buch der "Erklärung der Herrenworte" folgendes sagt:
2."Als großes Beispiel der Gottlosigkeit aber wandelte Judas in dieser Welt, indem sein Körper so sehr anschwoll, daß nicht einmal dort, wo ein Wagen leicht hindurchgeht, er hindurchgehen konnte, ja nicht einmal allein die Masse seines Kopfes. Seine Augenlider nämlich, heißt es, seien so sehr angeschwollen, daß er einerseits das Licht überhaupt nicht mehr sah, und daß andererseits seine Augen (sogar) durch den Augenspiegel vom Arzt nicht gesehen werden konnten; so tief lagen sie unter der äußeren Oberfläche. Sein Schamglied erschien widerwärtiger und größer als jegliches Schamglied; er trug aber Eiterströme an sich, die aus dem ganzen Körper flossen, und Würmer, zur Qual schon allein aufgrund der (natürlichen) Bedürfnisse.
3. Als er, heißt es, nach vielen Qualen und Strafen auf seinem eigenen Grundstück zugrundegegangen war, blieb aufgrund des Gestanks das Land öde und unbewohnbar bis jetzt, und nicht einmal bis zum heutigen Tag kann jemand an diesem Ort vorübergehen, ohne daß er sich die Nase mit den Händen zuhält. Eine so starke Ausdünstung verbreitete sich von seinem Körper auch über die Erde." Vgl. A. Lindemann en H. Paulsen, "Die Apostolischen Väter", Tübingen, J.C.B. Mohr, 1992. Griekse tekst in SQE 470.
|