Lc. heeft het verhaal van de vlucht van de Christelijke Joden na de dood van Stefanus onderbroken om een aantal gebeurtenissen te beschrijven die de fundering vormen voor de wereldwijde missie: de bekeringen van Paulus en Cornelius. Nu kan hij het verhaal van de vluchtelingen weer oppakken. Het is nu ingebed in de "apostolische traditie" door de uitweiding van 9,1-11,18. De nauwe band tussen de eerste heidense Kerk te Antiochië en de apostolische moeder te Jeruzalem wordt het motief van deze nieuwe sectie. In deze sectie lezen wij over de zending van Barnabas naar Antiochië, zijn omgaan met Saulus in Antiochië en hun gezamenlijke missie om de offergave aan de gemeente van Jeruzalem over te brengen vinden.
De eerste kerk van de heidenmissie: Antiochië. (Hand. 11,19-30)
11,19 Naar aanleiding van Stefanus was er, zoals gezegd, een vervolging losgebroken. Zij die hierdoor verspreid waren, trokken verder tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, terwijl zij het woord alleen maar aan de Joden predikten.
20 Maar er waren onder hen mannen uit Cyprus en Cyrene, die na hun komst in Antiochië zich ook tot de Grieken richtten en hun de Heer Jezus verkondigden.
21 De hand des Heren was met hen, zodat een groot aantal het geloof aannam en zich tot de Heer bekeerde.
22 Het gerucht over hun optreden kwam ook de Kerk van Jeruzalem ter ore en men vaardigde Barnabas af naar Antiochië.
23 Toen deze daar aankwam en Gods genade zag, verheugde hij zich en wekte allen op met hart en ziel de Heer trouw te blijven.
24 Hij was een goed man, vol van heilige Geest en geloof. Veel mensen werden voor de Heer gewonnen.
25 Daarop vertrok hij naar Tarsus om Saulus te gaan zoeken.
26 Toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië. Een vol jaar namen zij deel aan de bijeenkomsten in die gemeente en gaven onderricht aan een grote menigte. Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd.
27 In die tijd kwamen er van Jeruzalem profeten naar Antiochië.
28 Een van hen, Agabus, maakte door de Geest bekend dat er over heel de wereld een grote hongersnood zou uitbreken, wat onder Claudius inderdaad gebeurde.
29 De leerlingen bepaalden daarom dat ieder van hen naar draagkracht een ondersteuning zou zenden voor de broeders in Judea.
30 Hieraan gevolg gevend deden zij die door bemiddeling van Barnabas en Saulus aan de oudsten toekomen.
(Hand. 11,19-30)
|
11,19
|
"Zij die hierdoor verspreid waren"
|
Hier wordt door Lc. de band weer gelegd met 8,1.4, waar sprake was over de bedreiging door de hellenisten.
|
|
"Fenicië, Cyprus en Antiochië"
|
De vluchtelingen trokken naar "Fenicië, Cyprus en Antiochië". Fenicië is het kustgebied ten noorden van Palestina, met de steden Ptolemaïs, Tyrus en Sidon. Antiochië (aan de Orontes) is de hoofdstad van de provincie Syria, waar er een sterke Joodse gemeenschap was. Hier werd de blijde boodschap eerst alleen aan de Joden verkondigd.
Het gaat hier over Antiochië in Syrië.
|
|
"ook tot de Grieken"
|
Kennelijk is de originele lezing niet ΄Ελληνιστάς maar ΄Ελληνάς in contrast met Joden. Wij zijn hier terug bij het bronmateriaal van Lc. want er is geen sprake van het gebeuren met Cornelius.
|
11,21
|
|
Dit vers generaliseert de informatie als bewijs voor de goddelijke kracht die de missie voortstuwt.
|
11,22-24
|
|
Barnabas (vgl. 4,36) wordt op een visitatie gestuurd, die net als in 8,14 de band tussen de nieuwe kerk en de moederkerk verzekert.
|
11,25-26
|
"voor het eerst christenen werden genoemd"
|
Het gebruik van deze naam door buitenstaanders toont aan dat het hier duidelijk werd dat men met een andere groep van doen had dan het Jodendom. Zichzelf noemden zij: broeders, leerlingen, heiligen, gelovigen. De naam Christenen vinden wij in het N.T. enkel nog in Hand. 26,28 en 1 Pet. 4,16. Van de apostolische vaders gebruikt enkel Ignatius van Antiochië (Ef. 11,2; Rom. 3,1; Magn. 7,3) de naam. Hij wordt ook gebruikt door de heiden Plinius de Jongere (Ep. x,96-97) en wel 7 keer, door Tacitus (Annales 15,44). De Joden noemden hen heel waarschijnlijk Nazoreeërs (vgl. Hand. 24,5) en de "aanhangers van de Weg" (9,2).
|
|
"Profeten"
|
Jeruzalem is de bron, zelfs van het profetische charisma (1 Kor. 14,1.3).
|
11,28
|
"Agabus"
|
Wij vinden hem ook in 21,10.
|
|
"Een grote hongersnood"
|
Het onderwerp en de universele dimensie ervan zijn kenmerken van een apocalyptische profetie (vgl. Mc. 13,8; Ap. 6,8) De hongersnood onder keizer Claudius (41-54) is niet gemakkelijk te dateren. Het trof kennelijk het Oostelijk deel van de Middellandse Zeegebied gedurende een aantal jaren. Er zijn aanduidingen dat het Judea trof aan het begin van het procuratorschap van T. Julius Alexander (46-48; vgl. Flavius Josephus, Ant. 20,52, par. 101)
|
11,30
|
|
Het bezoek van Paulus aan Jeruzalem is zeker niet zijn eerste bezoek (9,26; Gal. 1,18) of het "concilie" (15,2; Gal. 2,1). Het relaas van Paulus in Gal. sluit andere bezoeken tussen deze twee uit. Hoe wij de twee samen moeten zien is niet duidelijk.
|
|