Paulus’ visioen: naar Macedonië. (Hand. 16,6-10)
16,6 Daarna trokken ze door Frygië en de landstreek Galatië, omdat zij door de heilige Geest ervan weerhouden waren het woord te verkondigen in Asia.
7 In Mysië gekomen maakten zij aanstalten om naar Bitynië te reizen, maar de Geest van Jezus stond hun dit niet toe.
8 Zij trokken dus door Mysië en gingen naar Troas.
9 Daar had Paulus 's nachts een visioen; er stond een Macedoniër voor hem die hem smeekte: 'Steek over naar Macedonië en kom ons te hulp.'
10 Na zijn visioen zochten wij onmiddellijk een gelegenheid om naar Macedonië te vertrekken, want we maakten er uit op, dat God ons geroepen had om hun het Evangelie te verkondigen.
(Hand. 16,06-10)
|
16,6
|
|
Zij waren van plan om naar het westelijk deel van Klein-Azië te gaan, het gebied dat Asia heette. De H. Geest belette het hen echter en zij trekken dan noordwaarts door Frygië en Galatië. (Bedoeld is hier het eigenlijke Galatië rond de steden Pessinus, Ancyra en Tavium waar in de derde eeuw voor Christus drie Gallische stammen (vandaar de naam) een nieuwe thuis gevonden hadden.) Lukas deelt ons niet mee hoe de H. Geest hen dit mededeelde.
|
16,7
|
|
De reisroute wordt heel vaag aangegeven. Ook hier stopt de H. Geest hen en staat Hij niet toe dat zij in Bitynië preken. In deze streek lagen veel steden met nogal wat Joden: Nicea, Helenopolis, Nicomedië, Chalcedon, vandaar dat te begrijpen is dat Paulus daar naartoe wilde gaan.
|
|
"Troas"
|
misschien waren zij van plan omdat de H. Geest hun verhinderde om daar te prediken om de boot te nemen en naar Antiochië terug te keren. In elk geval dachten zij er niet aan om over te steken naar Macedonië (N. Griekenland).
Deze stad ligt aan het zuidelijke einde van de Hellespont ongeveer 20 km. ten zuiden van het oude Troje. Het werd gesticht door Antigonus, een veldheer van Alexander de Grote (356-323).
In die tijd was het een belangrijke haven in Kl.-Azië en het centrum van het verkeer met Macedonië. Paulus kwam wel vier keer in deze stad. (16,7-10; 2 Kor. 2,12v.; Hand. 20,6-12; 2 Tim. 4,13).
|
16,9
|
"een visioen"
|
(ἐν νυκτὶ δι'ὁράματος). Dit woord duidt meestal een innerlijk zien aan, maar het kan ook een objectieve verschijning betekenen. (vgl. bij 10,3). Het is de eerste van 5 visioenen die Paulus had in Hand. (18,9-10; 22,17-21; 23,11; 27,23-24), die behalve één altijd 's nachts geschiedden. Griekenland was in die tijd ook kennelijk rijp voor de ontvangest van het Christendom.
|
16,10
|
"zochten wij onmiddellijk een gelegenheid"
|
Zij wonnen inlichtingen in over een boot waarmee ze konden oversteken, inkopen ... .
|
|
"wij"
|
Vanaf hier gebruikt Lukas "wij" tot in 16,18. (zie: Wij-stukken. Men leidt hieruit af dat vanaf hier Lukas tot het gezelschap van Paulus hoorde. Waarom hij in deze stad was ... wordt niet vermeld. Er was echter al een Christengemeente voordat Paulus kwam in Troas (20,5-12; 2 Kor. 2,12; 2 Tim. 4,13). Misschien bevond Lukas zich daar als evangelieprediker.
|
|