Hand. 17,16-34

Uit Theowiki

Paulus in Athene. (Hand. 17,16-34)

Athene, de belangrijkste stad van Griekenland. In de hellenistische tijd, de tijd van Paulus dus ook, was zij het culturele middelpunt van de Grieks-Romeinse beschaving. Ten tijde van Paulus was zij dat zeker ook, zij het dat zij de eerste plaats op economisch en politiek vlak aan Korinte had moeten afstaan.
Het aantal afgodsbeelden schat men op wel 3000. Volgens Cicero kon zelfs de nuchtere Romein niet ontkomen aan de indruk die de kunstwerken uit de bloeitijd van Pericles (ca -445) op hem maakten. Ondanks het feit dat ze al vijf eeuwen oud waren zagen die er nog als nieuw uit. De universiteit van Athene lokte talloze Romeinen, Grieken en oosterlingen die de wijsgerige stelsels wilden leren kennen en de beroemde retoren wilden horen. De stad was ten tijde van Paulus een vrije stad, met een eigen overheid en eigen wetten. Zij maakte deel uit van de provincie Achaïa waarvan Korinte de hoofdstad was.

17,16 Terwijl Paulus in Athene op hen wachtte, werd hij pijnlijk getroffen door de vele afgodsbeelden die hij in de stad zag.
17 Hij ging nu disputeren niet alleen in de synagoge met de Joden en de godvrezenden, maar ook dagelijks op de markt met de mensen die daar toevallig waren.
18 Ook enige Epicurische en Stoïsche wijsgeren kwamen met hem in aanraking. Er waren er die zeiden: 'Wat wil die kletser eigenlijk beweren?' En anderen: 'Hij lijkt een prediker van hogere wezens die hier onbekend zijn.' Dit kwam omdat hij Jezus en de verrijzenis verkondigde.
19 Zij klampten hem aan, brachten hem naar de Areopagus en vroegen: 'Mogen we weten wat dit voor een nieuwe leer is, die door u voorgedragen wordt?'
20 Gij vertelt dingen die ons vreemd in de oren klinken en we zouden dus graag vernemen wat die betekenen.'
21 Want alle Atheners en de vreemdelingen die in hun stad woonden, verdreven het liefst hun tijd met het vertellen en het aanhoren van de laatste nieuwtjes.
22 Paulus ging midden op de Areopagus staan en nam het woord.: 'Mannen van Athene, ik zie aan alles hoe diep godsdienstig gij zijt.
23 Want toen ik rondliep en bekeek wat gij zoal vereert, ontdekte ik zelfs een altaar met het opschrift: Aan een onbekende god. Welnu, wat gij vereert zonder het te kennen, dat kom ik u verkondigen.
24 De God die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is. Hij die de Heer is van hemel en aarde, woont niet in door handen gemaakte tempels.
25 Ook wordt Hij niet door mensenhanden verzorgd, alsof Hij iemand nodig heeft, want Zelf geeft Hij aan ieder leven en adem, ja alles.
26 Heel het mensengeslacht deed Hij uit een ontstaan, om de gehele oppervlakte van de aarde te bewonen, waarbij Hij de seizoenen vaststelde, en de grenzen van hun woongebied,
27 opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem misschien al tastende zouden vinden; Hij is immers niet ver van ieder van ons.
28 Want door Hem hebben wij het leven, het bewegen en het zijn; zoals sommige van uw eigen dichters hebben gezegd: Want wij zijn van zijn geslacht.
29 Als wij dus tot Gods geslacht behoren, moeten we niet menen dat het goddelijke gelijken zou op goud of zilver of steen, op een voortbrengsel van menselijke kunde en vernuft.
30 Zonder acht te slaan op die tijden van onwetendheid laat God thans aan de mensen de boodschap brengen, dat zij zich allen en overal moeten bekeren.
31 Hij heeft immers een dag vastgesteld, waarop Hij de wereld naar rechtvaardigheid gaat oordelen door een man die Hij daartoe heeft bestemd. Aan allen gaf Hij het bewijs daarvan door Hem uit de doden te doen opstaan.'
32 Maar toen zij van de opstanding der doden hoorden, spotten sommigen daarmee, terwijl anderen zeiden: 'Daarover zullen wij u bij gelegenheid nog wel eens horen.'
33 Zo ging Paulus van hen weg.
34 Toch sloten sommigen zich bij hem aan en kwamen tot het geloof, onder wie Dionysius de Areopagiet en een vrouw die Damaris heette, en nog anderen.
(Hand. 17,16-34)

17,16 "Werd hij pijnlijk getroffen door de vele afgodsbeelden ..." Lett.: "Werd zijn geest in hem hevig geprikkeld (of verbitterd)". Paulus was geschokt door de afgodsbeelden. Hij noemt het vereren van afgoden eer bewijzen aan de boze geesten (1 Kor. 10,19). Paulus weet goed genoeg dat er geen afgoden bestaan (1 Kor. 8,4). Waarschijnlijk zal hij als Jood die geen menselijke afbeeldingen gewoon was nog extra geschokt zijn door die menigte beelden in Athene.
17,7 "maar ook dagelijks op de markt" Paulus kan niet zwijgen en gaat zijn boodschap uitdragen. Er waren waarschijnlijk niet veel Joden in Athene, maar toch hadden zij een synagoge. Hij ging ook op de markt (agora) met de mensen spreken. Waarschijnlijk is de markt die hier bedoeld wordt de pottenbakkersmarkt de zogenaamde "κεραμεικος" die vanwege haar vele tempels ook de godenmarkt genoemd werd.

Wij kunnen ons de vraag stellen hoe Paulus in staat was om met de mensen te discussiëren, ja, zelfs met de filosofen te redetwisten. Blijkbaar had Paulus voldoende opleiding achter de rug en was hij vanuit Tarsis, waar de Griekse cultuur hoog in aanzien stond, vertrouwd met deze gebruiken.

17,18 Er waren in Athene verschillende scholen voor wijsbegeerte of filosofie. Hier worden twee groepen genoemd:
"Epicurische ... wijsgeren" De Epicureërs zijn leerlingen van Epicurus (347-270) van Samos. zij leerden dat de hele wereld samengesteld was uit atomen. Zij waren pure materialisten. Het voornaamste doel van hun leven was het geluk of het genot. Dit geluk is van tweevoudige aard. Het geluk van de geest dat bestaat in het ongevoelig zijn voor elke tegenslag of verdriet. Het is een kalm leven, zonder zorgen. Of het geluk is een voorbijgaande prikkeling, het genot van de zintuigen dat spoedig ophoudt en met lijden gepaard gaat. Om het geluk te bereiken moet men zijn begeerten beteugelen en de deugd beoefenen. De mens mag de dood en de goden niet vrezen, want bij de dood houdt de ziel op te bestaan.
"de Stoïcische wijsgeren De Stoïcijnen zijn opgericht door Zeno van Elea (340-260). Zij leerden een soort pantheïsme. `God bezielt het heelal. M.n. leggen zij nadruk op de ethica. Hij ideaal is de wijze die leeft volgens de natuur, die zich rustig, onverschillig gedraagt in alle omstandigheden en die enkel handelt volgens wat zijn verstand hem ingeeft. Alles moet ondergeschikt zijn aan de deugd. De rest: koude, ziekte, warmte, honger ... moet hem koud laten. Na de dood keert de ziel terug tot de godheid en houdt op te bestaan.

Hier voelen enkele wijsgeren zich blijkbaar geroepen om met Paulus te discussiëren.

"Wat wil die kletser eigenlijk beweren?" (σπερμολόγος) lett. iemand die zaadjes opraapt, vandaar ook arme drommel. Een groep noemt hem "kletser".
"Hij lijkt een prediker van hogere wezens te zijn die hier onbekend zijn" De andere groep is iets welwillender: "Hij lijkt een prediker van hogere wezens te zijn ...". Lett. staat er "δαιμονίων". In de mond van Grieken duidt dit zowel een goede als een boze god aan, terwijl het bij Jezus meestal van boze geesten gezegd wordt.

Paulus heeft ongetwijfeld over Jezus en de opstanding uit de doden gesproken. De verrijzenis uit de doden met name was voor de Grieken en bijzonder voor Epicureërs en Stoïcijnen onverteerbaar omdat zij niet eens geloofden in het verderleven van de ziel. Overigens riskeerde men de doodstraf voor het verkondigen van nieuwe goden in Athene. Tenminste als men goden verkondigde waardoor de staatsgodsdienst bedreigd werd. Bv. Anaxagoras, Protagoras en Socrates hebben dat aan den lijve ondervonden.

17,19 "Zij klampten hem aan, brachten hem naar de Areopagus" Deze zin moeten wij niet zien dat zij Paulus met geweld naar de Areopaag sleepten, maar dat zij hem uitnodigden om daar zijn leer uiteen te zetten. De Areopaag (̓Αρειος παγος, de heuvel van Ares of Mars) is een kleine rotsachtige heuvel ten westen van de Akropolis. Hier zetelde ten tijde van de republiek Athene de rechtbank. Blijkbaar wilden zij (zie 17,21) dat zoveel mogelijk mensen naar hem konden luisteren.
17,20 Wat Paulus verkondigt klinkt hen vreemd in de oren. Immers wat hij gezegd heeft over het lijden, de dood en verrijzenis van Christus, alsook over de opstanding van de doden is volslagen nieuw voor hen.
17,21 Lukas geeft hier de reden op waarom de wijsgeren dit verzoek tot Paulus richtten. Bijna alle exegeten bewonderen de samenstelling en de inhoud van deze rede. Hier past Paulus zich helemaal aan, aan het Griekse denken. Vgl. bv. Hand. 13,16-41 hoe hij de Joden op een totaal andere manier aanspreekt.

Bij de Grieken is zijn uitgangspunt uiteraard niet de Schrift maar hij ontleent het aan de omgeving. Het citaat in vers 28 ontleent hij niet aan het O.T. maar aan Griekse dichters.
In deze rede zijn er drie hoofdgedachten:

  • 1. (22-25) tegenover de vele Griekse goden stelt Paulus de éne, ware God, Schepper van hemel en aarde, onzichtbaar en alomtegenwoordig, die de mensen niet nodig heeft.
  • 2. (26-29) God heeft alle mensen geschapen en hun levenslot geregeld, opdat zij Hem zouden zoeken en vinden. Men kan God vinden omdat Hij niet ver van de mensen verwijderd is ...
  • 3. (30v) Nu roept God alle mensen op tot bekering. Want eenmaal zal Hij hen oordelen door de man (Jezus) die Hij daartoe bestemd heeft. Het bewijs voor de echtheid daarvan is Jezus' verrijzenis uit de doden.

Merk op: Paulus vermijdt nog de naam Jezus.

17,22 "Mannen van Athene" Paulus spreekt hen aan zoals de grote retor Demostenes deed.
"diep godsdienstig" (δεισιδαιμονεστερους), dit woord kan ook negatief, in de zin van bijgelovig gebruikt worden. Hier is het zeker positief gebruikt.
17,23 "een altaar met het opschrift: Aan een onbekende god" Dit altaar was opgericht om een eventuele god die bestond, maar die zij niet kenden niet te vergeten. Paulus geeft er een andere betekenis aan door het toe te passen op de éne, ware God die zij niet kenden.
17,24 " De God die de wereld gemaakt heeft" Zijn centrale redenering: God is de schepper. Dit is een gedachte die de Grieken wel eens gehoord zullen hebben via de Joden, maar die niet Grieks is. Het argument is hetzelfde als in Lystra toen men Paulus en Barnabas voor goden hield. Dat God de Schepper is, is een oergegeven uit de Schrift (Gen. 1,1; Ex. 20,11; Jes. 45,7). Deze God is ook niet ruimtelijk omschreven. Hij is niet gebonden aan tempels en altaren.
17,25 Deze God moet gediend worden, maar niet op de manier van de heidenen.

God heeft onze gaven niet nodig, wat alles komt van Hem. Hij is in alles onafhankelijk van de mens.

17,26 Heel het mensengeslacht stamt af van één mens (Adam). Alle mensen danken hun bestaan dus aan de ene zelfde God.
"waarbij Hij de seizoenen vaststelde" Volgens Keulers past de vertaling "seizoenen" niet in deze context (wel voor de eenvoudige mensen van Lystra) en moet het vertaald worden met: "waarbij Hij bepaalde tijden en grenzen van hun woongebied vaststelde". Blijkbaar doelt hij op het ontstaan, verspreiden en ondergaan van bepaalde volkeren en culturen.
17,27 "opdat zij God zouden zoeken" Eén gemeenschappelijk doel hebben alle mensen. Zij zijn nl. geschapen om God te zoeken.
"of zij Hem misschien al tastend zouden vinden" Deze toevoeging schildert heel juist de heidense godskennis en de visie van de Christen hierop. Het zoeken van de heidenen is inderdaad een tasten in de duisternis, want zij vinden Hem vaak niet.
"God is immers niet ver van ons" God laat zich vinden.
17,28 Hier illustreert Paulus dat God niet ver is. Ja, wij leven in Hem. Paulus onderstreept deze waarheid dan nog eens met een citaat uit hun dichters. Het vers is te vinden bij de Griekse dichter Aratus (-3de eeuw), in zijn boek Phainomena; bij Cleanthes, die na Zeno 32 jaar lang de Stoïsche school leidden; ook Epiminedes (-5de eeuw) van Knossos (Kreta), van wie Paulus de ongunstige beoordeling van de Kretenzers leent (Tit. 1,12); mogelijk ook Timagenes.
17,29 "moeten we niet menen dat het goddelijke gelijken zou op goud of zilver of steen, op een voortbrengsel van menselijke kunde en vernuft" Paulus trekt de conclusie hieruit. De gelijkenis met God zit niet in het uiterlijk of in de materiële gelijkenis. De dichter Xenofanes (ca 580-488) spotte reeds ermee dat de Thraciërs de goden voorstelden met blauwe ogen enz. en de Ethiopiërs met platte neuzen enz.

(De gelijkenis ligt op het vlak van verstand en wil, ofwel kennis en liefde). Vele Atheners zullen ongetwijfeld hun goden vereenzelvigd hebben met de afbeeldingen ervan.

17,30-31 "waarop hij de wereld naar gerechtigheid gaat oordelen"

Paulus leert dat de mensen zich moeten bekeren, want dat de dag van het oordeel reeds is vastgesteld "waarop hij de wereld naar gerechtigheid gaat oordelen".
Het bewijs voor de echtheid van de boodschap van die man (Jezus) is Zijn verrijzenis uit de doden.

17,32-33 De opstanding uit de doden kan er bij de Grieken niet in. Er zijn wel Grieken die geloven in het verderleven na de dood, m.n. de platonici. Maar de opstanding van het lichaam was onverteerbaar voor de Grieken, zeker voor hen die dachten vanuit een platoonse traditie, die het lichaam ziet als een gevangenis voor de ziel.
"Sommigen spotten" een bekende reactie op de verkondiging van de Blijde Boodschap. Een aantal bewaart echter de wellevendheid. Of zij hem inderdaad nog opnieuw wilden horen, of dat dit een elegante afwijzing is, is niet helemaal duidelijk.
17,34 Ondanks dat waren er toch enkelen die tot geloof kwamen en zich bij hem aansloten. Blijkbaar bleef Paulus toch langere tijd in Athene.

Twee bekeerlingen worden met name genoemd. Blijkbaar was Dionysius later een bekend man. Hij was lid van de Areopaag.
Als Paulus later in 1 Kor. 16,15 het huis van Stefanas als eersteling van Achaïa noemt dan is dat niet in strijd met de bekering van deze Atheners. Want Athene behoorde niet tot het eigenlijke Achaïa, maar tot Attica.