Hand. 27,1-44

Uit Theowiki

Paulus' laatste reis en werkzaamheden in Rome. (Hand. 27,1-28,31)

De reis naar Rome. (Hand. 27,1-28,16)

Paulus had al geruime tijd het plan opgevat om naar Rome te gaan (vgl. Hand. 19,21; Rom. 1,11-15).
Lukas beschrijft de reis in drie etappen:

  • van Cesarea naar Kreta (27,1-12)
  • van Kreta tot de schipbreuk op Malta (27,27-44). Verblijf van drie maanden daar (28,1-10).
  • van Malta naar Rome (28,11-16). Hij preekt er aan de Joden, maar vindt er weinig gehoor (28,17-29). Lukas eindigt met een kort overzicht van het tweejarig verblijf in Rome.

De zeereis, schipbreuk en aankomst. (Hand. 27,1-44)

Het is in de wij-vorm. Wij hebben hier weer een zogenaamd Wij-stuk nl. Hand. 27,1-28,16. Blijkbaar was Lukas weer bij Paulus van hier tot in Rome.
Paulus' onschuld stond wel vast voor Festus zoals blijkt uit het voorgaande. Paulus had zich echter beroepen op de keizer. Daarom moest hij gaan.

27,1 Toen onze afvaart naar Italië bepaald was, stelde men Paulus en enige andere gevangenen in handen van Julius, een honderdman van de kohort Augusta.
2 We gingen aan boord van een schip uit Adramyttium, dat de kustplaatsen van Asia zou aandoen, en staken in zee. Aristarchus, een Macedoniër uit Tessalonica, vergezelde ons.
3 De volgende dag liepen we Sidon binnen, waar Julius, die Paulus menslievend behandelde, hem toestond zijn vrienden op te zoeken om zich te laten verzorgen.
4 Vandaar weer uitgevaren zeilden we, omdat de wind tegen zat, dicht langs Cyprus,
5 voeren langs de kust van Cilicië en Pamfylië en landden te Myra in Lycië.
6 Daar vond de honderdman een schip uit Alexandrië, dat op weg was naar Italië, en bracht ons daarop over.
7 Toen we verscheidene dagen slechts langzaam vooruit kwamen en met moeite ter hoogte van Knidus geraakte, omdat we de wind niet mee hadden,
8 zeilden we onder Kreta door langs Salmone, waar we ternauwernood omheen kwamen, en bereikten een punt dat Goede Rede heette, waarbij de stad Lasea lag.
9 Omdat er veel tijd verstreken was en de vaart al niet zonder gevaar werd - de vasten was immers al voorbij - waarschuwde Paulus
10 hen met de woorden: 'Mannen, ik zie dat verder zeilen niet zonder gevaar zal zijn en grote schade zal toebrengen niet alleen aan lading en schip, maar ook aan ons.'
11 De honderdman had echter meer vertrouwen in de stuurman en de kapitein dan in Paulus' woorden.
12 Omdat de haven niet erg geschikt was om er te overwinteren, gaven de meesten dan ook de raad weg te varen om zo mogelijk Fenix te bereiken, een haven op Kreta, die openligt naar het zuidwesten en noordwesten, en daar te overwinteren.
13 Toen er een zuidenwind opstak, meenden ze van het slagen van hun plan verzekerd te zijn, lichtten het anker en voeren vlak onder de kust van Kreta.
14 Het duurde echter niet lang of er sloeg van het eiland een stormwind neer, de zogenaamde Eurakylon.
15 Daar het schip werd meegesleurd en de kop niet op de wind kon houden, moesten we het opgeven en lieten ons meedrijven.
16 Toen we onder de beschutting voeren van een eilandje, Klauda geheten, slaagden we er met moeite in de sloep te bemachtigen,
17 en omhoog te halen. Toen troffen ze noodvoorzieningen door kabels om het schip vast te sjorren. Uit vrees op de Syrte geworpen te worden, haalden ze de takelage neer en lieten zich zo drijven.
18 De storm teisterde ons geweldig en daarom zette men de volgende dag het een en ander over boord
19 en de derde dag gaf men eigenhandig het scheepstuig prijs.
20 Verscheidene dagen waren zon noch sterren te zien; er bleef een hevige stormwind staan en zo vervloog voor ons elke verdere hoop op redding.
21 Daar ze reeds lang niet meer aten, trad Paulus op hen toe en zei: 'Mannen, men had naar mij moeten luisteren, en niet van Kreta moeten wegvaren; dan zou men zich deze overlast en dit verlies hebben bespaard.
22 Maar zelfs in deze omstandigheden spoor ik u aan moed te houden. Het leven van geen uwer zal verloren gaan, maar alleen het schip.
23 Vannacht verscheen mij een engel van de God aan wie ik toebehoor en die ik dien,
24 en deze zei: Wees niet bevreesd, Paulus; gij moet voor de keizer verschijnen en daarom heeft God u het leven van allen die met u op het schip zijn, genadig in handen gegeven.
25 Houdt dus goede moed, mannen, want ik heb vertrouwen op God, dat het zo zal gebeuren als mij gezegd is.
26 We moeten echter op een of ander eiland stranden.'
27 Toen dan de veertiende nacht aanbrak van ons rondzwalken op de Adriatische Zee, meenden de matrozen tegen middernacht dat er land in de buurt kwam.
28 Met het dieplood peilden zij twintig vadem; iets verder wierpen ze opnieuw het dieplood uit en peilden vijftien vadem.
29 Uit vrees dat we ergens op de riffen zouden lopen, lieten ze van de achtersteven vier ankers vallen, in spanning wachtend op het aanbreken van de dag.
30 De matrozen probeerden van het schip weg te komen en zetten de sloep uit onder voorwendsel, dat ze van de voorsteven ankers wilden uitbrengen.
31 Maar Paulus zei tegen de honderdman en de soldaten: 'Als dezen niet aan boord blijven, kunt gij niet gered worden.'
32 Daarop kapten de soldaten de kabels van de sloep en lieten deze in zee vallen.
33 In afwachting van de dageraad spoorde Paulus allen aan iets te eten en zei: 'Vandaag is het al veertien dagen, dat ge maar steeds in afwachting zijt zonder te eten of iets te gebruiken.
34 Daarom raad ik u aan wat te eten, want dat komt de redding ten goede. Niemand van u zal een haar op het hoofd gekrenkt worden.'
35 Na deze woorden nam hij brood, dankte God in tegenwoordigheid van allen, brak het en begon te eten.
36 Toen vatten allen weer moed en namen ook voedsel.
37 We waren aan boord, allen meegerekend, met tweehonderd zesenzeventig man.
38 Nadat ze voldoende gegeten hadden, maakten ze het schip lichter door het koren in zee te werpen.
39 Toen het dag werd, herkenden ze het land niet, maar bespeurden een inham met een strand en beraadslaagden op ze het schip daar op konden laten lopen.
40 Ze kapten de ankers en gaven ze prijs aan de zee; tegelijk maakten ze de handen van de stuurriemen los, hesen de fok voor de wind en hielden op het strand aan.
41 Zij kwamen terecht op een zandbank en lieten het schip daarop vast lopen. De voorsteven stootte op de grond en bleef onbeweeglijk zitten, terwijl de achtersteven afbrak door de kracht van de golven.
42 De soldaten besloten de gevangenen te doden, opdat niemand zou wegzwemmen en ontsnappen.
43 Maar de honderdman, die Paulus wilde redden, verhinderde hun toeleg. Hij beval allen die konden zwemmen het eerst over boord te springen om aan land te komen,
44 terwijl de overigen op planken of ander scheepstuig zouden volgen. Zo bereikten allen veilig en wel vaste grond.
(Hand. 27,1-44)

27,1 "Julius, een honderdman van de kohort Augusta" Julius was bevelvoerder van een centuria van de keizerlijke cohorte ("σπειρα σεβαστη" is de Griekse vertaling van "cohors augusta"). De benaming "augusta" (uitstekende) was een onderscheiding die aan Romeinse legioenen, maar ook aan sommige van hun hulptroepen (cohorten) werd gegeven. Deze keizerlijke cohorte maakte deel uit van het garnizoen van Cesarea dat uit 5 cohorten voetvolk en één afdeling ruiterij bestond.
27,2 "een schip uit Adramyttium" Deze Julius zal ongetwijfeld volmacht gehad hebben om op elk schip plaatsen op te eisen voor zijn mannen en zijn gevangenen.

Het schip hoorde thuis in Adramyttium een haven in Mysië (= N.-Turkije, in de buurt van Troas).

"dat de kustplaatsen van Asia zou aandoen" Het schip was waarschijnlijk op terugreis uit Alexandrië en zou "de kustplaatsen van Asia aandoen". Vermoedelijk wilden zij onderweg daar ergens een schip zoeken om naar Rome te varen, immers Adramyttium ligt ver uit de route. Normaliter ging de reis van Cesarea naar Rome over Alexandrië.

Behalve Lukas had Paulus ook nog Aristarchus, een Macedoniër uit Tessalonica als gezel. Hij was reeds Paulus' metgezel en vriend te Efeze (19,29) en behoorde bij de zeven mannen die met Paulus naar Jeruzalem terugreisden. Deze Aristarchus deelde Paulus' gevangenschap in Rome. Paulus brengt in Kol. 4,10 en Filemon 24 de groeten van hem over.

27,3 "Sidon" Dat lag op meer dan 100 km van het vertrekpunt.

De honderdman Julius blijft hem de hele reis welwillend behandelen. Naar alle waarschijnlijkheid ging Paulus overal vergezeld van de soldaat aan wie hij was vastgeketend. Blijkbaar mochten de Christenen hem kleding, voedsel e.d. geven. Er waren dus ook Christenen in Sidon.

27,4 "zeilden we, omdat de wind tegen zat, dicht langs Cyprus" Omdat de wind in die tijd van het jaar uit het noord-westen kwam, moesten zij onder beschutting van de Cypriotische bergen onder de kust in noordelijke richting laveren.
27,5 Ze landen in Myra.
27,6 Ze stappen over op een ander schip. Dit schip was blijkbaar geen kustvaarder maar een echt zeeschip. Omdat het behalve zijn vracht nog 276 mensen (zie 27,37) aan boord had moet het voor zijn tijd een heel groot schip geweest zijn. Het zal ca. 300 à 350 ton groot geweest zijn. Bij gunstige wind haalden deze schepen een snelheid van ca 11 km per uur. Het was een vrij lomp schip dat bij ongunstige wind moeilijk te besturen was.
27,7 "ter hoogte van Knidus" Knidus, een stad met twee havens, lag op 250 km. van Myra en kan bij gunstige wind in anderhalve dag bereikt worden.

Blijkbaar wilde de kapitein in Knidus gunstige wind afwachten, maar hij kon de haven niet binnenlopen omdat hij bij het naderen van de haven de bescherming van de kust tegen de wind niet meer genoot. Hij kon door het heersende wind ook niet om de zuidpunt van Achaïa heen naar Rome varen. Daarom liet men het schip maar door de wind naar het zuiden drijven om dan beschutting te zoeken achter het eiland Kreta. Het gebergte Salmone vormde de meest oostelijke punt van dat eiland.

27,8 "bereikten een punt dat Goede Rede heette," Ook daar bleef het moeilijk. Het punt "Goede Rede" is niet bekend uit de oudheid, maar er is wel een plaats op Kreta die heden antedaterend zo heet.
27,9 "de vasten was immers al voorbij" Lukas geeft de tijd van het jaar aan op de Joodse manier. Bedoeld wordt de énige door Mozes voorgeschreven vastendag, nl. de grote verzoendag ca. 24 september.

De gevaarlijke tijd voor de scheepvaart duurde van 14 september tot 11 november. Van 11 november tot 5 maart lag alle scheepverkeer stil. Niet alleen omdat de betrekkelijk kleine schepen groot gevaar liepen in de stormen, maar ook omdat de hemellichamen, nodig voor de navigatie, vaak onzichtbaar zijn in die tijd (vgl. 27,20).

27,10 Paulus waarschuwt de bevelvoerenden. Blijkbaar put Paulus hier uit zijn ervaring opgedaan tijdens zijn vorige zeereizen.
27,11 "De honderdman had echter meer vertrouwen in de stuurman en de kapitein dan in Paulus' woorden" Blijkbaar had de honderdman invloed op de gang van zaken. Hij was immers de leider van een contingent soldaten en verantwoordelijk voor de gevangenen. Men zou haast zeggen, dat hij uiteraard meer oor had naar de mening van deze ervaren zeelieden.
27,12 "Omdat de haven niet erg geschikt was om er te overwinteren" Blijkbaar achtte men de moeilijkheden van overwintering te Fenix groter dan het proberen om Fenix te bereiken. Het is niet duidelijk welke haven hiermee bedoeld wordt. Het kan de haven van Loetro zijn ten oosten van kaap Flaka.
27,13 Ze lichten het anker.
"een stormwind neer, de zogenaamde Eurakylon" Bedoeld is noordoosterwind die van het eiland naar beneden sloeg.
27,15 Het schip werd daardoor onbestuurbaar.
27,16 Onder beschutting van het eilandje Klauda kon men een sloep binnenhalen. Blijkbaar lieten zij de sloep achter het schip aandrijven. Dit wordt tegenwoordig nog vaak gedaan door zeilschepen omdat indien een man overboord valt hij anders reddeloos verloren is. Meestal is men niet in staat het schip (snel genoeg) te keren. Maar nu moesten zij ze uit veiligheidsoverwegingen binnenhalen, omdat ze anders wel eens losgeslagen kon worden.
"door kabels om het schip vast te sjorren" Men bond kabels om het schip. Hoe weten we niet. Vermoedelijk werden zij onder de kiel doorgehaald en met windassen vastgezet om zo het schip een grotere stevigheid te geven. Ze waren ban op de Syrte te lopen een grote zandbank in de tegenwoordige golf van Sydra. Ze is 500 km lang en strekt zich uit van Misrata tot Benfasi.
"De takelage" bedoeld is vermoedelijk dat men de mast e.d. neerhaalde om de wind zo weinig mogelijk vat op het schip te geven.
27,18 De storm bleef duren. Er staat niet dat men alle ballast overboord wierp wand daardoor zou het schip nog meer aan wind en golven zijn overgeleverd. Vermoedelijk zal men de deklading of een deel daarvan overboord gezet hebben.
27,19 "gaf men eigenhandig het scheepstuig prijs" Masten, zeilen, touwen zette men "eigenhandig" overboord. Als de storm het van het schip zou afslaan zou er vermoedelijk meer schade geleden zijn, dan wanneer men dat zelf deed.
27,20 Men kon niet navigeren en men had geen idee in welke richting men afdreef.
27,21 "Daar ze reeds lang niet meer aten" Ze aten niet meer. Vermoedelijk door zeeziekte, uit schrik en ook omdat het welhaast onmogelijk was iets klaar te maken. Er was voldoende voedsel aan boord want het was een graanschip (27,38).

Paulus verwijt hen dat zij niet naar hem geluisterd hebben.

27,22 "Het leven van geen uwer zal verloren gaan, maar alleen het schip" Hij bemoedigt hen dat niemand van hen verloren zal gaan, alhoewel het schip wel zal vergaan. Een voorspelling die zal uitkomen.

27,23Paulus spreekt over de engel, maar hij zegt niet welke God het is die hij dient. Hij is hier temidden van heidenen.

27,24 "Vannacht verscheen mij een engel van de God aan wie ik toebehoor" De belofte van de engel.
27,25 Paulus spreekt hen moed in.
27,26 Hij voorspelt dat zij op een eiland gaan landen.
27,27 "dat er land in de buurt kwam" Malta ligt op ca 1000 km ten westen van Kreta. Blijkbaar is de stormwind naderhand naar het oosten gedraaid. De naam Adriatische Zee was toen veel omvangrijker dan nu.

De matrozen meenden blijkbaar in de verte het geluid van de branding te horen.

27,28 "Met het dieplood peilden zij twintig vadem" Een vadem is ca 188 cm. De diepte van de zee was eerste 37,60 m. Een teken dat er land in de buurt was. Even verder was het 28,20 m. De snelle stijging van de zeebodem duidde duidelijk op de nabijheid van land.
27,29 "lieten ze van de achtersteven vier ankers vallen" De ankers brachten het schip tot stilstand. Uiteraard wachtten zij in spanning om te zien welke gevaren ze voor hun hadden en waar ze ergens waren.
27,39 "zetten de sloep uit onder voorwendsel, dat ze van de voorsteven ankers wilden uitbrengen" Lukas beschuldigt de matrozen ervan dat zij het schip in de steek wilden laten.
27,31 "Als dezen niet aan boord blijven, kunt gij niet gered worden." Paulus spreekt erover tegen de honderdman. Immers als de zeelui (misschien inclusief kapitein en stuurman) vertrokken waren dan zouden de soldaten, gevangenen en andere passagiers het schip niet aan de kust gekregen hebben. Daarvoor hadden zij die ervaren zeelieden nodig. Merk op: ook al twijfelde Paulus niet aan de goede afloop. Het sluit zijn eigen menselijk meewerken niet uit.
27,32 "Daarop kapten de soldaten de kabels van de sloep en lieten deze in zee vallen" De soldaten zagen dat in. Zo ging een kostbaar hulpmiddel verloren, maar ze waren er zeker van dat de matrozen niet konden ontsnappen en hun uiterste best zouden doen om het schip behouden aan land te brengen.
27,33-34 Paulus spreekt allen moed in. Voor de landing is het nodig dat de verzwakte mensen hun krachten herstellen. Dat zij 14 dagen niets aten is een overdrijving. (vgl. 27,21). Om uit te drukken dat zij gered zullen worden gebruikt hij de spreekwoordelijke uitdrukking vanhet hoofdhaar, die meerdere malen in de Schrift voorkomt (1 Sam. 14,45; Lk. 21,18 e.a.).
27,35-36 "Na deze woorden nam hij brood, dankte God in tegenwoordigheid van allen, brak het en begon te eten." Hier zal het waarschijnlijk niet gaan over een Eucharistieviering.
27,37 "We waren aan boord, allen meegerekend, met tweehonderd zesenzeventig man." Er waren 276 mensen aan boord. Dit is niet verwonderlijk. Uit Flavius Josephus (Vita 3) weten wij dat hij een keer op een schip samen met 600 man naar Italië voer.
27,38 "maakten ze het schip lichter door het koren in zee te werpen" Nu gaat alle lading overboord. Immers hoe geringer de diepgang hoe dichter zij het strand kunnen naderen.
27,39 "herkenden ze het land niet" Het land werd door hen niet herkend. Er is een inham op Malta die de baai van St. Paulus heet op het noordwestelijke punt van het eiland.
27,40 De ankers werden gekapt, de beide roeren die vastgezet waren werden losgemaakt. Ze hieven een klein zeil op de voorsteven... .
27,41 "Zij kwamen terecht op een zandbank" Letterlijk staat er in het Grieks dat zij stootten "op een plaats tussen twee zeeën", d.w.z. een ondiepte, een zandbank of een rif. Het is geen landtong, want daar zouden zij omheen gestuurd hebben... .
27,42 "De soldaten besloten de gevangenen te doden, opdat niemand zou wegzwemmen en ontsnappen" Elke gevangene was via een ketting aan een soldaat vastgemaakt. Logisch is dat zij liever van die last bevrijd waren nu zij wisten dat ze zouden moeten zwemmen. Immers zij moesten met hun leven ervoor instaan dat hun gevangene niet zou ontsnappen.
27,43-44 Paulus genoot intussen het respect en de bescherming van de honderdman. Zodoende verhinderde hij het doden van de gevangenen.