Hand. 4,32-35

Uit Theowiki

Het gemeenschappelijk leven (tweede verzamelbericht). (4,32-35)

Nadat Lukas het eerste optreden naar buiten toe verhaald heeft zegt hij weer iets over de gemeente zelf. Hij wijst op de goede gezindheid van de gelovigen (4,32-37) en de krachtige groei van de gemeente in Jeruzalem (5,12-16). Tegelijk maakt hij melding van beginnende misbruiken. (5,1-11)

4,32 De menigte die het geloof had aangenomen, was één van hart en één van ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde; integendeel zij bezaten alles gemeenschappelijk.
33 Met kracht en klem legden de apostelen getuigenis af van de verrijzenis van de Heer Jezus en rijke genade rustte op hen allen.
34 Er was geen enkele noodlijdende onder hen, omdat allen die landerijen of huizen bezaten, deze verkochten en de opbrengst ervan meebrachten
35 om aan de voeten van de apostelen neer te leggen. Aan ieder werd daarvan uitgedeeld naar zijn behoefte.
(Hand. 4,32-35)

4,32-34 Hier wordt opnieuw gezegd wat in 2,42-45 beweerd werd. Gewezen wordt op de broederlijkheid en op de werking van de apostelen. Ook wordt opnieuw melding gemaakt van het gemeenschappelijk bezit van eigendom. “hart en ziel” duidt op een echte eenheid.
4,33 "Met kracht en klem" De machtsdaden van de apostelen onderlijnen hun getuigenis van de verrijzenis (vgl. 3,12-16). Men kan het optreden van de apostelen zien als de voortgezette activiteit van de verrezen Jezus.
"Rijke genade" Het Griekse χάρις kan behalve “genade” (gave van God) ook schoonheid, lieflijkheid en volksgunst aanduiden. Hier wordt vrij zeker de genade van God bedoeld.
4,34 "geen enkele noodlijdende" Gevolg van deze broederlijkheid is dat er “geen enkele noodlijdende” onder hen was.
4,35 "aan de voeten van de apostelen" Het neerleggen "aan de voeten van de apostelen" is misschien wel letterlijk te nemen. Deze wijze van leven en het uitdelen naar ieders behoefte lag vermoedelijk in het verlengde van wat de leerlingen deden ten tijde van de Heer. Immers de apostelen hadden ook alles achtergelaten en leefden uit een gemeenschappelijke beurs (Joh. 13,29) en werden door vrome vrouwen ondersteund. (Lk. 8,3)