Hand. 9,1-19

Uit Theowiki

Saulus’ bekering. (Hand. 9,1-19)

De bekering van Saul of Paulus is voor Lukas een belangrijk punt, want hij verhaalt het wel drie keer en het wordt ook nog in twee zelfverdedigingsreden van Paulus verteld (22,6-21; 26,12-18). Hij verhaalt hier hoe de grootste tegenstander van het Christendom zich bekeert en de belangrijkste missionaris wordt. Vanaf hier wordt Paulus de hoofdpersoon van het verhaal worden.
Het verhaal in hoofdstuk 9 is geen roepingsverhaal maar een bekeringsverhaal, er wordt enkel even in 9,15-16 een vooruitblik op zijn zending gegeven. In de verdedigingsreden van Paulus wordt zijn roeping gesitueerd op het moment van zijn bekering. Met name in 26,15-18.
Er is een punt van overeenkomst in het bekeringsverhaal van Paulus en van Cornelius. In beide gevallen gaat het om een "dubbel visioenen" eerst een van de bekeerling en een van degene die de bekeerling opneemt in de Kerk:

Paulus en Ananias (8,10-12)
Petrus en Cornelius. (10,3-20).

9,1 Intussen ging Saulus, wiens ziedende woede nog steeds de leerlingen van de Heer met de dood bedreigde, naar de hogepriester
2 aan wie hij brieven vroeg voor de synagogen in Damascus, om alle aanhangers van de Weg die hij zou vinden, mannen zowel als vrouwen, gevangen naar Jeruzalem te mogen voeren.
3 Toen hij op zijn tocht Damascus naderde, omstraalde hem plotseling een licht uit de hemel.
4 Hij viel ter aarde en hoorde een stem die hem zei: 'Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?'
5 Hij sprak: 'Wie zijt gij, Heer?' Hij antwoordde: 'Ik ben Jezus, die gij vervolgt.
6 Maar sta op en ga de stad in; daar zal iemand u zeggen wat ge doen moet.'
7 Zijn reisgezellen stonden sprakeloos, want zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand.
8 Saulus stond van de grond op, maar hoewel zijn ogen open waren, zag hij niets. Zij namen hem dus bij de hand en brachten hem Damascus binnen.
9 Drie dagen lang kon hij niet zien en at of dronk niet.
10 Nu woonde er in Damascus een leerling die Ananias heette, en tot hem sprak de Heer in een visioen: 'Ananias.' Hij antwoordde: 'Hier ben ik, Heer.'
11 De Heer vervolgde: 'Begeef u naar de Rechte Straat en vraag in het huis van Judas naar Saulus van Tarsus; hij is juist in gebed. -
12 Deze zag reeds in een visioen een man, Ananias, binnenkomen en hem de handen opleggen, opdat hij weer zo u zien. -
13 Maar Ananias wierp tegen: 'Heer, ik heb van velen gehoord hoeveel kwaad die man uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan.
14 Ook hier heeft hij van de hogepriester volmacht om allen die uw Naam aanroepen in boeien te slaan.'
15 De Heer beval hem: 'Ga, want die man is mijn uitverkoren werktuig om mijn Naam uit te dragen onder heidenen en koningen en onder de zonen van Israël.
16 Ik zal hem laten zien, hoeveel hij om mijn Naam moet lijden.'
17 Toen begaf Ananias zich naar het huis, trad binnen en legde hem de handen op met de woorden: 'Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus die u op de weg hierheen verschenen is, opdat ge weer zien moogt en vervuld worden van de heilige Geest.'
18 Op hetzelfde ogenblik vielen hem als het ware de schellen van de ogen. Hij zag weer en terstond liet hij zich dopen.
19 Hij nam voedsel tot zich en kwam weer op krachten.
(Hand. 9,1-19)

9,1-2 "Saulus, wiens ziedende woede nog steeds de leerlingen van de Heer met de dood bedreigde" lett. "Saulus die nog steeds bedreiging en moord ademde tegen de leerlingen van de Heer". De hendiadis "bedreiging en moord" is te vertalen als "moordbedreiging". Het is een redactionele verbinding met 8,3 waar vermeld werd dat Saulus in Jeruzalem de vervolging leidde en mannen en vrouwen uit hun woningen sleepte. Hij wilde zijn arbeidsterrein uitbreiden ook buiten de stad.

Deze feiten speelden zich vermoedelijk af in het jaar 32 (sommigen zeggen 36). Immers het zogenaamde apostelconcilie in Jeruzalem had zeer waarschijnlijk plaats in 49 en de bekering 17 jaar eerder (Gal. 1,18;2,1).

9,2 "Brieven" de brieven die hij vroeg waren geen aanbevelingsbrieven, maar volmachtsbrieven, waardoor hij evenals in Jeruzalem huiszoekingen kon doen en mensen gevangen nemen. Dat de hogepriester deze macht zou hebben over de gemeentes in de Diaspora kan men niet hard maken, ook niet in de meestal geciteerde teksten: 1 Macc. 15,15-21; Flavius Josephus, Ant. 14,10,2, par 190-191; enz.
"hogepriester" Hij vroeg het aan de "hogepriester". Indien Paulus' bekering vóór het jaar 36 plaatsvond dan was het Kajafas.

Hier wordt alleen de hogepriester genoemd. Bedoeld is het Sanhedrin, zoals blijkt uit 22,5; 26,10. Het Sanhedrin had inderdaad een zekere bevoegdheid over de Joden, ook buiten Jeruzalem. Natuurlijk hing de feitelijke macht af van de medewerking van de plaatselijke synagoge en de Romeinse magistraten.
Zolang de Joden die tot het Christendom toegetreden waren zich niet hadden losgemaakt van de synagoge stonden zij in zekere zin nog onder haar jurisdictie.
De synagoge kon straffen uitvaardigen bv. uitsluiting (Joh. 9,42; 12,42), of de geselstraf opleggen (Petrus en Johannes, Paulus 5x 2 Kor. 11,24).

"alle aanhangers van de Weg" dit is de aanduiding van de Christenen, voor zij de naam Christenen zullen dragen. "Weg" is hier figuurlijk genomen en betekent de wijze van leven of handelen (bv. 18,25v; 19,9 e.a.). Hier is het de weg van Jezus.
"mannen zowel als vrouwen" duidt aan hoe onbarmhartig Saulus is.

Damascus is een van de oudste steden der wereld. Het is één van de weinige steden die vanaf hun ontstaan tot heden ononderbroken bewoond is.

9,3 Saulus trekt op met een groep reisgenoten (9,7). Nergens wordt gezegd dat hij te paard was. Damascus ligt acht dagreizen te voet van Jeruzalem.
"Toen hij ... Damascus naderde" Het gebeurde speelde zich volgens de traditie af op ongeveer 10 minuten van de oostelijke poort van Damascus. De poort die door de Christenen de "poort van de H. Paulus" wordt genoemd.
"Omstraalde hem plotseling een licht uit de hemel" ofschoon het klaarlichte dag was, was het een licht van een verblindende kracht dat het licht van de zon overtrof (22,6; 26,13). Dit licht was geen openbaring maar een middel om de vervolger te stoppen.
9,4 "Hij viel ter aarde" Het was zo plots en hevig dat Saulus viel. Uit vers 7 blijkt dat Paulus Jezus zag (de Heer met zijn verheerlijkt lichaam). Ook v. 17 en 27. Zie ook 1 Kor. 9,1;15,8; dit slaat vermoedelijk op deze gebeurtenis hier bij Damascus. Volgens 26,14 vallen ook zijn makkers.
"Saul, Saul, waarom vervolgt gij mij?" Bijna zeker zal Jezus Aramees gesproken hebben, vandaar de korte vorm van Saulus, nl. Saul. De tekst is identiek in de drie versies, vgl. ook 22,7 en 26,14. Jezus identificeert zichzelf hier met de vervolgde Christenen. Reeds hier leerde Paulus wat hijzelf later met veel nadruk zal verkondigen nl. de eenheid van Christus met Zijn mystiek lichaam: de Kerk (bv. 2 Kor. 12,12-30).
9,5 "Wie zijt gij Heer?" Paulus begrijpt dat de verschijning van hemelse oorsprong is, daarom spreekt hij ze aan met "Heer". Hij realiseert zich blijkbaar niet onmiddellijk wie het is: God of een engel. Paulus' vraag maakt duidelijk dat het licht op zich geen openbaring is, maar enkel een licht.
"Ik ben Jezus, die gij vervolgt" Paulus begrijpt dit. De Vulgaat voegt hier een vraag in "Gij treft uzelf hard door achteruit tegen de prikkel te slaan. Sidderend van angst zei hij: Heer wat wilt Gij dat ik doe? En de Heer zei tot hem: enz. ."
9,6 De Heer geeft hem verder instructie wat hij moet doen. Volgens 22,10 heeft Paulus hier gevraagd aan de verschijning wat hij moet doen. Jezus stelt hier direct de gehoorzaamheid van Saulus op de proef. Hij moet opstaan en de stad ingaan en pas daar zal men hem zeggen wat hij moet doen.
9,7 "zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand" Pas hier wordt uitdrukkelijk gezegd dat hij niet alleen was. Over zijn gezellen wordt gezegd: "zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand", precies het tegendeel van 22,9: "Mijn metgezellen zagen wel het licht, maar hoorden niet de stem". In 22,9 blijkt het licht door Paulus als openbaring voorgesteld te worden, hier niet.
9,8 Paulus was met blindheid geslagen. Moest zijn trots eerst gebroken worden?
9,9 "Drie dagen lang kon hij niet zien" Zijn blindheid wordt aan een bovennatuurlijke oorzaak toegeschreven. Indien hij gewoon verblind was dan zou dat geen drie dagen geduurd hebben; en had hij het gezicht verloren dan zou hij het ook na drie dagen niet hebben teruggekregen. Vgl. Zacharias' stomheid (Lk. 1,20).
"at of dronk hij niet" dit schijnt op zijn fysieke en morele uitputting te wijzen. Er wordt niet vermeld dat het uit boete gebeurde. Volgens 26,16-18 heeft hij hier van Jezus reeds de openbaring ontvangen. Hij zal dan ook wel degelijk onder de indruk geweest zijn.
9,10-11 Saulus is gebracht naar een huis in de rechte straat in het huis van een zekere Judas. Deze met kollonaden versierde pronkstraat uit de Romeinse tijd snijdt de stad Damascus doormidden (1600m lang) van oost naar west en bestaat nog. De beschrijving geeft het geheel een lokale kleur.

In een visioen wordt de leerling Ananias, een Christen, gestuurd. Een visioen kan in slapende of wakende toestand plaatsvinden. Jezus verscheen hem zelf niet, maar gaf een opdracht. Blijkbaar had Ananias vaker visioenen, want hij wist hoe te reageren (vgl. 1 Sam. 3,4).
Ananias krijgt de geruststelling dat Saulus in gebed is (11) en dat hij in een visioen het bezoek van Ananias krijgt aangekondigd, die hem zal genezen.

9,13 De "roem" is Saulus al vooruitgegaan en Ananias blijkt hem te kennen.
"heiligen" deze naam wordt gebruikt om de Christenen aan te duiden. Deze naam wordt reeds in het O.T. (Ps. 16,3) aan de vromen gegeven. Degenen die in Jezus geloven dragen in de Hand. (hier en 9,32.41; 26,10) deze naam omdat zij van de wereld zijn afgescheiden en aan Christus zijn toegewijd. "Heiligen" is hier niet gebruikt in de moderne betekenis van hen die de zedelijke volmaaktheid bereikt hebben. De tegenspraak van Ananias bevat een typisch Lucaans retrosprect (8,3; 9,1-2) en volgt een beetje raar op 9,11-12. De bevestiging van 9,15 verdubblet diie van 9,11. Daarom zijn 9,13-16 te zien als een redactionele uitbreiding van het oude verhaal.
9,14 Ananias is ook op de hoogte van de opdracht van Paulus in Damascus.
9,15-16 Deze verzen bevatten Lucas' belangrijkste commentaar op het Damascus-verhaal, dat hij reeds uit overlevering had, ook al is het waarschijnlijk niet helemaal van hem.
9,15 "ga" De Heer geeft hem het bevel "ga" en legt dan ook uit waarom hij dat doen moet.
"mijn uitverkoren werktuig om mijn Naam uit te dragen onder heidenen en koningen en onder de zonen van Israë" "Uitverkoren werktuig": door Jezus zelf uitgekozen om Zijn naam te verkondigen "onder heidenen en koningen en onder de zonen van Israël".

Saulus zal in de eerste plaats aan heidenen de Blijde Boodschap gaan brengen (Rom. 11,14; Gal 1,16 e.a.). Hij wordt ook voor koningen gevoerd: koning Agrippa, keizer Nero, landvoogden Felix en Festus, voor de proconsuls Sergius Paulus van Cyprus (Hand. 13,7-12) en Gallio in Achaia (Hand. 18,12-17). Hij richt zich ook tot de Joden, want vaak zijn zij de eerste tot wie hij zich richt als hij in een vreemde stad komt. (vgl. Rom.1,16; 11,13-22).

9,16 "Ik zal hem laten zien, hoeveel hij om mijn Naam moet lijden" Hier lijkt niet zozeer bedoeld dat Jezus hem in één keer liet zien welk lijden hem nog te wachten stond, maar dag in, dag uit zou Hij hem tonen welk lijden hem te wachten staat. Zijn verdere leven is een aaneenschakeling van morele en fysieke beproevingen (15,26; 21,13; 2 Kor. 11,22-33). Hem wacht het lot dat Jezus ook aan de andere apostelen voorspeld had (bv. Mt. 10,16-31). Wat hier voorspeld wordt is niet zijn missionair werk, maar de vervolgingen die hij zal ondergaan. (vgl. Lc. 21,12-19). De voorspelling aan Ananias wordt punt voor punt vervuld in de rest van de Hand.
9,17 "opdat ge weer zien moogt en vervuld worden van de heilige Geest" Ananias komt en legt Paulus de handen op met dubbel doel.
"Jezus die u op de weg hierheen verschenen is" Dit zijn woorden die normaliter voor de verschijningen van de verrezen Heer met Pasen gebruikt worden. Zij kloppen hier niet helemaal. Immers Paulus heeft Jezus helemaal niet gezien. Het klopt wel met de latere versie die Lc. van dit gebeuren geeft in de Hand. (22,14; 26,16)
9,18 Merk op dat Saulus zich terstond laat dopen. Dit wordt overigens niet vermeld in Paulus' brieven. Kennelijk eindigde het pre-Lucaanse verhaal met de genezing en het doopsel van Palus, zonder melding te maken van het feit dat hij "getuige" zal moeten zijn (22,15; 26,16). Toch is dit laatste de rol die hij onmiddellijk zal spelen in Damascus (8,20).